Arp Frique, het alter ego van de kleurrijke Rotterdammer Niels Nieuborg, presenteerde deze maand een compilatie van Kaapverdische muziek. Niet in zijn eentje, maar met Americo Brito, een Kaapverdische legende die al decennia in Rotterdam woont. ‘Voor muziek maakt het niet uit hoe oud je bent of waar je vandaan komt.’

Het is een grappig gezicht. Daar komt de boomlange Niels Nieuborg aanlopen, met zijn lange zwarte haar en volle baard. Naast hem loopt een kleine zestiger met grijs haar en een dun brilletje. Het is Americo Brito, een Kaapverdische zanger uit Rotterdam. De twee lopen een rondje door Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond, op steenworpafstand van de Dam. In het kader van Amsterdam Dance Event heeft Nieuborg er een Museum of Modern Instruments gecureerd, een samenstelling van elektronische instrumenten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de muzikale ontwikkeling van verschillende genres. Als het tweetal de ruimte heeft bekeken waarin uiteindelijk onder meer een theremin, allerhande synthesizers en cutting edge drumcomputers zullen staan, ploffen ze samen neer in een provisorische zithoek.

Brito en Nieuborg kennen elkaar inmiddels een jaar of vier, sinds ze samenwerkten aan ‘Nos Magia’, Arp Frique’s grootste hit. ‘Ik was destijds bijna klaar met de plaat’, vertelt Nieuborg, die voorheen vooral muziek voor andere mensen maakte maar als Arp Frique het heft in eigen handen nam. ‘Maar ik had nog één nummer over dat heel anders was dan de rest. In mijn hoofd was de baslijn echt funaná, een Kaapverdische stijl. Ik belde een vriend van me en vroeg hem: ‘Wie is er nou in Rotterdam die zoiets zou durven zingen?’ Hij riep gelijk: Américo Brito moet je hebben, mijn grote vriend!’ Zodoende toog Brito naar Nieuborgs studiootje in Zaandam, waar ze samen aan het nummer sleutelden.

Maar het duo raakte er ook in gesprek. Over Rotterdam, waar Nieuborg geboren is en waar Brito al decennia woont. En over Kaapverdische muziek, natuurlijk. ‘Ik ken die muziek vooral omdat hij gedraaid wordt op huisfeestjes en verjaardagen van Kaapverdische vrienden uit Rotterdam’, legt Nieuborg uit. ‘Ik ben gewoon een white kid die houdt van synthesizers, Jimi Hendrix en reggae. Deze mensen hebben dat allemaal op hun eigen manier bij elkaar gegooid. Ik vond het zo vet. En Américo kon er natuurlijk van alles over vertellen: hij heeft de kennis en de platencollectie.’

Américo Brito is weliswaar geboren en getogen in Kaapverdië, het grootste deel van zijn leven spendeerde de ambassadeur van muziekstijlen als funaná en coladeira niet op de eilandgroep voor de West-Afrikaanse kust. Al toen hij een jaar of achttien was, werd Brito door zijn vader naar Portugal gestuurd. ‘Om te studeren. Of om iets anders met mijn leven te doen.’ Nieuborg lacht hard. ‘Uiteindelijk belandde ik in Rotterdam, bij mijn oom. De stad was in die tijd zo levendig. Er waren zoveel Kaapverdianen dat je bijna dacht dat je in Kaapverdië was. Ik ben nog een tijdje terug naar Lissabon gegaan om mijn studie af te maken, maar Rotterdam zat al in mijn bloed. Inmiddels woon ik er al 44 jaar.’

In Rotterdam raakte Brito al snel betrokken bij de Kaapverdische muziekscene. Hij vertelt er in geuren en kleuren over, praat moeiteloos tien minuten aan een stuk door over de clubs die er waren en de Witte de Withstraat en Weena, waar 24 uur per dag livemuziek klonk. ‘Op een gegeven moment vond een vriend dat we een band moesten beginnen. Maar we hadden geen geld. Destijds moesten alle muzikanten hun eigen installaties hebben, er waren geen bedrijven die PA’s regelden ofzo.’ De band van Brito en zijn vrienden gaan Babylon heten, later richt de zanger ook nog de roep Djarama op. ‘We speelden bijna elke dag, de discotheken waren gewoon doordeweeks open. Tickets waren goedkoop: mannen betaalden een tientje, vrouwen vijf euro.’ Lachend: ‘Nu betalen ze gewoon hetzelfde.’

Naast het succes met zijn bands, lonkte een solocarrière. Brito vertrok naar Portugal om zijn eerste eigen album te maken, Sintado Na Pracinha. ‘Eigenlijk was ik nog te jong om een album te maken, alleen grote artiesten met status deden dat. Ik heb geluk gehad dat mijn producer, meneer Brandao, alles voor mij heeft betaald.’ Brito maakte het album in één dag, met muzikanten die hij nog nooit had ontmoet. ‘Zij kenden mij wel, want ik was Américo van Babylon, die superband uit Nederland. We gingen naar de studio, de opnames moesten gelijk goed zijn. Om zeven uur ’s avonds was het album af. Ik ben teruggegaan naar Rotterdam met de cassettes en het vinyl. Binnen een paar dagen was alles uitverkocht.’

Het album groeide in de Rotterdamse scene uit tot een van de populairste albums van de jaren tachtig, maar hij wordt nog steeds verkocht. Aan jongeren wiens ouders fan waren van Américo en aan liefhebbers als Niels Nieuborg, die naar Kaapverdische muziek zoeken in tweedehandsbakken van smaakmakende platenzaken. ‘Het is zo vreemd dat ik nu ook succes heb bij de jongere generatie.’ Dat succes zit niet alleen in Brito’s oude muziek, maar ook in ‘Nos Magia’, het nummer waarmee Nieuborg en Brito door Europa touren. ‘Ik had nooit gedacht dat dat zo populair zou worden. Nederlanders, Surinamers en Kaapverdianen kenden me al, maar nu zie ik ook mensen in België en Duitsland die het nummer kennen en er op dansen. Ze hebben geen idee wat we precies zingen, maar ze vinden het wel een lekker nummer.’

Niet dat de betekenis van ‘Nos Magia’ zo moeilijk te raden is, trouwens. Magia betekent gewoon wat je denkt dat het betekent, zij het in een brede interpretatie. ‘Muziek is gewoon magisch’, filosofeert Nieuborg. ‘Dat klinkt vaag en ik begrijp het zelf ook niet zo goed. Of ik kan het in ieder geval niet uitleggen. Maar leeftijd vind ik bijvoorbeeld iets heel fascinerends. Dat speelt in de muziek geen enkele rol: in de band en op de plaat gaan we van iemand van 18 tot iemand van 68. En ik zou het ook helemaal geen probleem vinden als een muzikant nog ouder is. Neem nou Ronald Snijders, een 68-jarige fluitist waar ik veel mee werk. Die gast heeft de energie van een 35-jarige. Datzelfde geldt voor Américo.’ ‘In muziek is geen plaats voor discriminatie’, vult Brito aan. ‘Het maakt niet uit welke kleur je bent of welke nationaliteit je hebt. We leven als broers, Niels is als een broertje voor mij.’ De Kaapverdianen zijn dan ook een mengelmoesvolk, vertelt Brito. ‘Kaapverdië is de definitie van een multicultureel land. De meeste mensen die er wonen zijn halfbloedjes.'

Helemaal niet zo gek dus, dat Kaapverdianen muziek benaderen zonder geografische of muzikale grenzen al te veel in acht te nemen. Het land heeft een bijzonder rijke muziektraditie, zeker als je bedenkt dat de eilandgroep nog geen miljoen inwoners heeft. ‘Veel landen denken van zichzelf dat ze in het midden van de wereld liggen, dat is een perceptieding’, vertelt Nieuborg. ‘De Amerikanen denken dat, maar wij Europeanen denken dat ook. Maar ga maar eens op de kaart kijken waar Kaapverdië ligt: echt tussen alle continenten in. Américo, jij hebt me weleens verteld dat Kaapverdianen wereldreizigers zijn. Ze varen overal naartoe en stichten allerlei gemeenschappen, maar nemen hun vondsten ook weer mee terug naar huis. Ik vond het interessant om dat in deze compilatie te laten horen. Kaapverdianen maken niet alleen morna, funaná en coladeira, maar ook funk, reggae, zouk en rock. En dat terwijl alle nummers van de compilatie uit een hele korte periode komen, van 1979 tot 3, 84. In het nummer van Vlu - 'Rua D' Lisboa' - dat op het album staat hoor je zelfs een beetje new wave terug. Zo is de compilatie ook een beetje begonnen. Dan ging ik naar Américo en vroeg ik: ‘Hee maar Amér, je hebt toch ook Kaapverdische disco? Dat móét wel!’ En dan zei hij: ‘Tuurlijk, hartstikke veel!’ Dan stuurde hij me een lijst door waar we wel zes compilaties mee hadden kunnen vullen. ‘Kaapverdische reggae?’ Ja hoor, weer zo’n lijst.’

De compilatie is niet alleen een poging om tegenwicht te bieden aan simplistische compilaties die alleen traditionele muziek bevatten en beweren dat dat dé sound van Kaapverdië is. Nieuborg probeert Brito ook meer een gezicht te geven, weg te trekken van de compilaties waaraan het icoon min of meer anoniem heeft meegewerkt. De Analog Africa-compilaties bijvoorbeeld, waaraan Brito zijn medewerking verleende. Labelbaas Samy Ben Redjeb gaf Brito een lijst met muzikanten en de zanger ging naar hen op zoek. ‘Van een aantal wist ik niet eens meer of ze leefden. En van de rest had ik geen idee waar ze woonden. In Nederland ken ik iedereen, maar er woonden ook mensen in Portugal en in de Verenigde Staten. Bijna zes maanden heb ik gezocht, iedereen die nog in leven was heb ik gevonden. Oude mannetjes zijn het inmiddels, terwijl we allemaal nog zo jong waren toen we vrienden werden. Ik ben inmiddels ook een oude man, met m’n grijze haar.’

‘Nee joh, je bent nog hartstikke jong’, werpt Nieuborg tegen. ‘Maar eerlijk is eerlijk: ik wilde graag dat Américo deze compilatie met mij presenteerde, in plaats van dat hij alleen even wat licenties regelde. Het is tenslotte niet mijn kennis, maar de zijne. Daarom staat hij ook op de cover: he was living it.’