Nergens in de Nederlandse dancewereld maakt de Black Lives Matter-beweging zoveel los als in de Amsterdamse club De School. De technotempel is verzeild geraakt in een verwoed conflict met een deel van de eigen achterban. En nu? De bom is gebarsten, het team ligt overhoop. Hoe een club die altijd een stapje verder leek werd geconfronteerd met zijn eigen blinde vlek.

‘RIP DE SCHOOL.’ ‘Deze club is een schande voor de clubscene.’ ‘Heb een beetje zelfrespect en ga gewoon dicht.’ Nee, ze zijn niet mals, de verwijten die de Amsterdamse nachtclub De School naar het hoofd gesmeten krijgt. Afgelopen maand raakte de club in de knoop met een deel van de achterban, die De School op social media overlaadde met kritiek. De club is te wit, daar komt het op neer. De achterban eist verandering. Liefst het hele team op de schop, in ieder geval een nieuwe programmeur. Achter de schermen ging het er al even heftig aan toe, en een deel van het team vertrekt.

Maar wacht eens even, De School is toch de meest progressieve club van Amsterdam? Een club met gevoel voor nieuwe muziek, maar ook voor diversiteit en genderverhoudingen? Ja, dat is inderdaad wat de club uitstraalt, en precies wat nu als een boemerang in het eigen gezicht knalt.

Even terug naar het begin, naar de felle protesten in Amerika naar aanleiding van de gruwelijke dood van George Floyd. Het laatste weekend van mei was dat. De dagen erna stroomden onze timelines vol met filmpjes van opstanden en politiegeweld, maar protesten waren er in Nederland nog niet. In dat laatste weekend plaatste De School een post over het restaurant, dat weer open mocht. Geen statement over de protesten in Amerika, of die op de Dam. Dat gebrek aan een statement werd niet goed ontvangen, en even later ging de club door het stof: ‘We beseffen dat we, door niet te reageren, niet bedachtzaam met de situatie zijn omgegaan. Dat was onvergeeflijk. De ingeplande post had uitgesteld moeten worden, alle focus had moeten liggen op ons statement over de situatie. Het spijt ons en we zullen dit moment gebruiken om ervan te leren. De vorige posts zullen online blijven, want we willen verantwoordelijkheid dragen voor onze fouten en kritiek niet uitwissen.’

Ondertussen is de instagrampagina van De School een slagveld geworden. De club blijft zich maar verontschuldigen, en krijgt steeds maar meer kritiek over zich heen. Dat gaat natuurlijk niet over die ene post. Het gesprek over diversiteit op de dansvloer en racisme in het nachtleven is al jaren een lopend gesprek, en die wond is nu open gescheurd. En dat gaat niet alleen De School aan. Zo kreeg Dekmantel een tik op de vingers na een reeks posts die nu verwijderd zijn. En Awakenings kreeg dezelfde kritiek die ze al jaren uit de internationale hoek krijgen. Namelijk, dat de organisatie te wit boekt. De line-up die de organisatie voor de online weekender van juni aankondigde bevatte géén zwarte artiesten. Die verhouding, die contrasteerde wel erg scherp met dat zwarte vakje van een paar weken geleden. Later werden alsnog sets van Carl Cox en DJ Rush uitgezonden.

De roots van de underground

Dit is overduidelijk een pijnpunt in de dancewereld. Om te begrijpen waarom moeten we helemaal terug naar de roots van de clubcultuur, die van house en techno. Die roots zijn zwart. Zonder twijfel. Het waren zwarte producers in de failliete autostad Detroit die experimenteerden met synthesizers en drumcomputers. In enorme warehouses in Chicago werd de house uitgevonden. En in clubs in New York kwamen Afro-Amerikanen, latino’s en queers samen. Al die muziek was vanaf het begin revolutionair, de Detroit variant was zelfs behoorlijk militant. Sterker nog: het was een gebalde vuist tegen de gevestigde orde, de white establishment. Uit de hechte scene ontstonden labels, werden banen gecreëerd. Deze quote van Cornelius Harris, de manager van de pionierde technogroep Underground Resistance, zegt genoeg. ‘Vaak kijken mensen naar dance als business, ze denken dat het gewoon leuke feestjes zijn. Ze zien niet hoe het financiële stukje van de puzzel mensen kan empoweren, zeker als er verder weinig alternatieven zijn.’

Maar van die zwarte roots is niet zo heel veel meer zichtbaar in de clubcultuur anno 2020. Ja, legendes als Jeff Mills en Carl Craig draaien nog steeds, maar de dance is vooral in Europa een spierwitte cultuur. Witte dj’s, wit publiek, witte programmeurs en clubeigenaren, witte media (ja, ook 3voor12). Dat is eigenlijk al zo vanaf het moment dat de dance in Europa aansloeg, in Londen, Manchester, Berlijn, Amsterdam, natuurlijk Ibiza. Sterker nog: terwijl dance in Europa opblies, bleef het in Amerika underground. Zo’n beetje alle dominante dancebolwerken in de wereld zijn nu in de handen van witte mensen. Kevin Saunderson, technopionier van het eerste uur, sprak zich daar fel over uit in een interview met Billboard. Volgens hem krijgen zwarte artiesten niet dezelfde groeimogelijkheden als hun witte industriegenoten, omdat ze minder goed in de markt zouden liggen. ‘Het probleem is dat het de mensen met macht in deze industrie niet uitmaakt. Ze geven niet om de geschiedenis of de integriteit van de muziek. Ze hebben een verantwoordelijkheid om de cultuur waar ze van profiteren correct te vertegenwoordigen, maar het enige waar ze aan denken is hoe ze hier geld aan kunnen verdienen.’ Let wel: Saunderson vindt niet dat underground dance een zwart fenomeen had moeten blijven. Volgens hem is er door die dominante witte cultuur een kansenongelijkheid ontstaan. En dat terwijl deze scene juist ontstond uit minderheidsgemeenschappen die met de muziek nieuwe kansen wilde scheppen.

Line-ups, publiek en professionals

Moet de Europese industrie zich anders gaan verhouden tot die legacy? Absoluut, vindt Ilyas Fdis, oprichter van Minor AM, een boekingskantoor dat opkomende Amerikaanse dj’s als AceMoMa en Nederlandse dj’s waaronder Suze Ijó vertegenwoordigt. De afgelopen jaren keek hij verontwaardigd toe hoe de programma’s van Awakenings en ADE vaak voor nog geen tiende bestonden uit mensen van kleur. ‘Als ik dit een jaar geleden zei, dan werd ik altijd weggewuifd. Het gebrek aan erkenning voor de roots zie je terug in alle programmeringen, die zijn volledig witgewassen door de Europese industrie. Dat ligt er zo dik bovenop dat het niets anders dan frustratie met zich mee kan brengen.’

De frustratie die Fdis voelt zit ‘m niet alleen in die line-ups. Ook de professionals in het werkveld zijn wit, op een uitzondering na. Dat ziet ook Ghamte Schmidt, oprichter van agentschap/platform Bureau Punt, waarbij acts zitten als Lion Kojo, Sandor Dayala en Carista. Schmidt: ’Als je kijkt naar de Nederlandse muziekindustrie, zie je amper independents die worden gerund door zwarte mensen. In de hiphop wel natuurlijk, daar heb je SMIB, Rotterdam Airlines, Event Us, ga zo maar door. Maar in de dance? Nee. En zwarte managers en boekers heb je al helemaal niet. Dit is niet eens een Nederlands probleem. Ik ontmoette laatst Theo Parrish in De School, en hij was verbaasd dat ik de manager van Carista ben. Dat had hij in geen jaren meer gezien. Een zwarte manager, en dan ook nog eens van een zwarte artiest.’

Volgens Schmidt en Fdis vindt er een wisselwerking plaats tussen drie factoren: de professionals achter de schermen, de line-ups en het publiek. Is het team achter de schermen niet divers, dan zie je dat terug in de line-ups. Fdis: ‘Ik zeg altijd maar: hoe kan je inclusief boeken als je geen idee hebt over de frustratie die je hebt als je op de dansvloer staat en niemand van je eigen kleur ziet?’ En die line-ups, die scheppen op hun beurt weer een beeld over voor wie die dansvloer is bedoeld, en wie de toegang heeft tot het professionele werkveld. House en techno, dat maak je je eigen op de dansvloer. En voel je je daar niet op je plek, hoezo zou je volgende week vrijdag dan opeens weer linksvoor staan? Laat staan dat je er je werk van zou maken.

Op die manier ontstaat er dus institutioneel racisme, zien Schmidt en Fdis. Mensen van kleur hebben moeite om de club binnen te komen. Als bezoeker, als programmeur, als resident dj. En ben je wél die ene gekleurde persoon op de dansvloer, of die ene zwarte industrieprofessional, dan moet je navigeren in een voornamelijk witte omgeving. Schmidt: ‘Wanneer ik over een festivalterrein loop, ben ik de eerste die wordt aangekeken als er een meisje in d’r bil wordt geknepen. Een paar jaar geleden was ik op Lowlands omdat meerdere acts uit mijn roster daar moesten draaien. Ik  werd ik dríé keer Willie Wartaal genoemd. Lollig, want we lijken allemaal op elkaar. Of ze verwonderen zich erover dat ik op dat festival ben, want zwarte mensen houden toch niet van house en techno? Het voelt niet als een veilige plek. En als het gaat om dance, dan heb je een plek nodig waar je dingen tot jezelf kunt maken. Maar er zijn maar heel weinig safe spaces waar jonge, zwarte mensen dat kunnen doen.'

(Tekst loopt door onder de foto.)

Bureau Punt

De School

Terug naar De School

Schmidt en Fdis zien dat dit een probleem is dat zich over de breedte van de muziekindustrie uitspeelt. Niet alleen festivals en clubs, maar ook agentschappen en boekingskantoren en, ja, ook media zoals 3voor12, dat ook vrijwel wit is. Maar waarom is het dan juist De School die de meeste kritiek krijgt? Die club staat toch juist bekend als een safe space? Een inclusieve club, met diversere boekingen dan veel andere danceorganisaties? ‘De School heeft heel veel credit opgebouwd met hun inclusieve imago,’ zegt Axmed Maxamed, een bekend gezicht in de clubscene. Als mede-oprichter van het initiatief Dance With Pride maakt hij zich al langer hard voor een inclusiever nachtleven. ‘Maar als puntje bij paaltje komt, maakt het De School niks uit. Ze willen de status quo niet écht veranderen, anders zou het kantoor niet vier jaar lang volledig wit zijn. Dat is het namelijk: 100 procent wit, en alles hangt daarmee samen. ’ Daar zit het grootste pijnpunt: niet eens zozeer het aantal mensen van kleur op de line-ups, maar juist het feit dat het personeelsbestand van De School net zo wit is als al die andere clubs en festivals, terwijl de club juist uitstraalt een inclusieve vrijplaats te zijn.

Axmed Maxamed

Dat witte personeelsbestand weet blijkbaar niet de veiligheid van de bezoekers te waarborgen. Dat wordt in ieder geval duidelijk in de kritiek die De School nu krijgt. De club wordt ervan beschuldigd te profiteren van een inclusief imago, zonder zich in te zetten voor de gemarginaliseerde groepen waar ze hun imago deels aan ontlenen. Daarbovenop wordt het ervan beschuldigd dat er racistische incidenten binnen de club hebben hebben plaatsgevonden, zoals etnisch profileren. Resident dj Elias Mazian zei in dit interview met 3voor12: ‘Wat mensen van kleur overkomt in De School wordt gezien als losse incidenten. Maar het zijn geen losse incidenten, het zijn kleine dingen die allemaal onderdeel zijn van institutioneel racisme. Ik denk dat we met z’n allen een blinde vlek hebben gehad.’ Die blinde vlek, die schrijft Maxamed toe aan een tendens in de Nederlandse samenleving. Hij ziet dat de meeste kritiek uit de internationale gemeenschap komt. ‘Nederland heeft het imago van een inclusief land, maar het loopt hopeloos achter als het op erkenning van racisme aankomt. En de organisaties, die zijn het product daarvan. Dat zie je trouwens ook aan de kritiek: Nederlanders uit de scene steken hun kop in het zand, het zijn juist de internationale dj’s als Midland en bijvoorbeeld Frankie van Discwoman die zich uitspreken. Die houden De School nu verantwoordelijk.’

Toetsen en checken

Wat kun je dan nu doen, als instituut onder vuur? Nu een zwarte boeker aannemen? Was het maar zo simpel. Dan stuit diegene immers tegen dezelfde problemen aan als die clubganger die zich niet op zijn plek voelt in de club. ‘De vraag is: hoe ga je ervoor zorgen dat het een veilige plek is voor die medewerker?’ zegt Schmidt. Zijn antwoord? Dat lukt simpelweg niet. ‘Als je instituut altijd al wit is geweest, dan zit het racisme erin vastgeroest. Je opleiding, je opvoeding. Want dat heeft je nog niet tot een punt gebracht dat je het eerder zag.’ Zijn voorkeur gaat eerder uit naar samenwerkingen. Niet alleen als het op De School aankomt, maar danceorganisaties in zijn algemeenheid. ‘Zie je een vonk bij een gekleurd persoon, ga dan intensief met die partij aan de slag. Ga samenwerken. Stel een zwarte curator aan voor een clubnacht, laat een bedrijf dat zich hard maakt voor diversiteit een stagehosting doen, mits het integer is en het niet gaat om een PR-stunt om te laten zien dat je het goed wilt  doen. Het moet over de lange termijn gaan. Als divers bedrijf wil je ook niet als token in worden gezet. Het moet niet over voortrekken gaan, maar over ontwikkelen. Ik wil heel graag dat mensen stappen gaan maken.’

Toch zal De School verregaande stappen moeten nemen om in het reine te komen met de eigen achterban. Ok, het leeuwendeel zal zijn schouders ophalen en post-corona meteen de club in vliegen. Toch is er een deel van de community waar De School zich mee identificeerde, die nu afgehaakt is. En dan gaat het niet alleen over bezoekers, maar ook over dj’s die betwijfelen of ze nog met de club willen samenwerken. Dat deel van de achterban ervaarde vooral dat de club de kritiek tackelde als een PR-probleem, en niet als het begin van een structurele hervorming.  Wat verwachten zíj van de club? Axmed Maxamed – en met hem die felle critici – willen duidelijke erkenning van De School dat er racisme plaatsvindt, en concrete plannen. Zo’n beetje zoals Resident Advisor al deed, de invloedrijke journalistieke site die dezelfde kritiek op z’n dak kreeg. Resident Advisor formuleerde een aantal doelstellingen over hun content en de mensen die die content gaan maken. Maxamed: ‘Je moet een statement leveren waarbij getoetst en gecheckt kan worden of het gedaan is. Dat is een begin.’

Die eis om harde cijfers, daar spreekt een diepe teleurstelling uit. Of eigenlijk: ongeloof dat er echt wat gaat veranderen, als er geen keiharde doelstellingen zijn. Daar gaat de club nu gehoor aan geven: aankomende dinsdag host het een podcast waarin het die plannen wil verduidelijken. Voor dit stuk wilde de club dan ook geen reactie geven, behalve dat het bezig is ‘een nieuw team te bouwen en een actieplan te maken om de club veiliger en inclusiever te maken.’ Een beetje coulance is ook wel op zijn plek: heel realistisch is het niet om binnen twee weken een vacature open te gooien als programmeur voor een club die op non-actief staat.  En toch: de frustratie onder dit deel van de achterban is niet zo heel gek. Ze voelen zich verraden, komen er achter dat de School zich gedurende die vier jaar eigenlijk toch niet zo anders tot het systeem verhield dan ze hadden gedacht. Maar eigenlijk kan geen enkel platform, festival of club zich vrijwaren van kritiek. Dat de rest van de dancewereld niet het debat mee in wordt gesleurd, is eerder een teken van vermoeidheid dan selectiviteit. Pick your battles, zodoende. En dan is er ook nog eens geen dansvloer waar je alle frustraties eruit kunt dansen.