Zo brengt Destroyer een ode aan de britpop Zo brengt Destroyer een ode aan de britpop

Weer een nieuw album van de man zonder plan, de laatbloeier zonder arbeidsethos

, Robert Lagendijk

Het is misschien wel de misleidendste bandnaam uit de muziekgeschiedenis: Destroyer. Dan Bejar, de man achter het project, maakte met Ken een ambachtelijke plaat die zich kan meten met de grote albums uit de popmuziek.

‘Ooit zag ik mijzelf meer als romanschrijver dan als muzikant,’ vertelt Dan Bejar alias Destroyer. ‘Wat een grap! Ik heb wel eens een poging gedaan een boek te schrijven. Daar bleef het bij: een poging. Maar ik liet mij aanpraten dat ik een schrijver zou zijn. Het had er vooral mee te maken dat mijn stem nogal vreemd is, maar mensen dorsten dat niet recht in mijn gezicht te zeggen. Dan zeiden ze maar dat ik een echte schrijver was.’

Static means punk, tuning is junk,’ zong Bejar met die eigenaardige stem op zijn debuut uit 1996. Op dat eerste album hoor je direct dat Bejar ook toen al een begenadigd liedjesschrijver was. Maar je kunt na beluistering ook stellen dat Bejar – toen 26 jaar oud – nog flink aan het puberen was. Ontstemde gitaren, speelgoedmicrofoons, goedkope synths en krakkemikkige opnameapparatuur leidden de aandacht af van Bejars handelsmerk: het gouden liedje. Dat puberen duurde tot 2011, toen verscheen Kaputt, een album waar ineens wel een haan naar kraaide. Als een donderslag bij heldere hemel klonk Destroyer niet meer als een oude Bowieplaat waar wel eens een doekje overheen mocht, maar warm, persoonlijk en gedistingeerd.

Waar de groeistuip van Destroyer in 2011 vandaan kwam, weet Bejar zelf ook niet. Een groter plan is er bij de grillige Canadees nooit geweest. Hij maakte albums vol georkestreerde indiepop, dan weer eens een plaat vol lofi en hij flikte het ook om een album vol vormloze elektronische muziek te maken. Soms schreef hij zijn liedjes op gitaar, soms op piano. ‘Ik ben gezegend met een soort geestelijke kortzichtigheid. Als tiener wist ik nooit wat mij de volgende dag te wachten stond. Dat is eigenlijk nog steeds zo,’ vertelt hij.

Destroyer

Man zonder plan

Bejar sjokte in die tijd – de jaren tachtig – dagelijks door Vancouver, meestal met een flinke kater. Hij laafde zich aan nieuwe muziek en soms hoorde hij iets briljants. Dat laatste maakte hem ziek. ‘Tieners kunnen dat hebben. Ik werd echt misselijk van goede muziek die ik hoorde. Mooie dingen vreten je helemaal op. Ik had dat bijvoorbeeld met Psychocandy van The Jesus and Mary Chain. Dat album is punk én glamour, lawaai én melodie, rock én melancholie. Alles bij elkaar een prachtige combinatie voor een puber. Muziek was een ongrijpbare ontsnapping aan een verschrikkelijke wereld.’ Die alles opslurpende eigenschap van muziek ervaart Bejar tegenwoordig niet meer. ‘Omdat ik tegenwoordig alles ontleed wat ik hoor. Het is verpest door zelf albums te maken en duizenden uren in mijn werk als muzikant te steken.’

Dan Bejar, de man zonder plan, de laatbloeier zonder arbeidsethos. Tenminste, dat zegt hij zelf. ‘Op een gegeven moment moest alle inspiratie eruit. Ik begon liedjes te schrijven. Maar in de jaren negentig was het not done om van je muziek een carrière te maken en wat mij betreft, geldt dat nog steeds. Ik wilde sowieso geen carrière. Dat ik nu, op mijn zesenveertigste, de wereld over reis, is ronduit bizar. Kom op zeg!’ Soms gaat hij tijden niet naar zijn studio, soms werkt hij in lange sprints aan een album. Alleen zijn dochtertje zorgt nog voor enige structuur in het leven van Dan Bejar. ‘Ik schrijf liedjes als ze komen, al is het midden in de nacht. Verder zit ik twee maanden per jaar in een tourbus die door de nacht rijdt, op weg naar het volgende optreden. Dan leef ik voor de rest in bars. Mijn leven is eigenlijk een zooitje.’

(tekst gaat door na de video)

Carte blanche

De elf nummers op Ken kwamen snel, binnen een half jaar, tot stand. En dat terwijl Bejar weer voor de onlogische weg koos. Want na het succes van het ook al prachtige voorlaatste album, Poison Season, gekenmerkt door een echt bandgeluid, had het voor de hand gelegen om met zijn goed ingespeelde band meteen na het touren de studio in te duiken. Dat deed Destroyer niet. Voor de zoveelste maal begon hij van voor af aan. Alleen drummer Joshua Wells – tevens drummer in de stevige rockband Black Mountain – kreeg een klus. Hij kreeg carte blanche om met de demo’s van Bejar aan de slag te gaan. Bejar: ‘Aanvankelijk zou hij mij helpen met de opnames, maar zijn rol werd groter en groter. Hij had zulke gekke ideeën dat ik ze uiteindelijk uitgevoerd wilde hebben. Het is de meeste vrijheid die ik iemand anders ooit heb gegeven, maar ik vertrouw hem. De nummers had ik expres op gitaar geschreven. Dat levert andere liedjes op dan wanneer je op piano schrijft. Maar Josh gooide alle nummers in een blender en de helft kwam er nagenoeg onherkenbaar uit. Af en toe kwam een bandlid langs om iets in te spelen. Maar de basis was steeds een goedkope drumcomputer en een batterij keyboards. Ik hou van Ken, maar het is een heel ander album geworden dan ik aanvankelijk voor ogen had.’

Wat wel overeind bleef is dat Ken een ode is aan de Britse popmuziek. In Vancouver voelen mensen zich doorgaans meer verbonden met Engeland dan met Amerika. Dat geldt ook voor Bejar die weliswaar op nog geen dertig kilometer van de Amerikaanse grens woont: ‘Britse muziek is voor mij fundamenteel. Ik groeide op met Blur, Pulp en Oasis en kan prima leven zonder Amerikaanse muziek.'

Destroyer

nu op 3voor12