Kan het wat zachter?!?! Nee, het is niet de buurman die aanbelt, maar een advies van de Gezondheidsraad op het bureau van Staatssecretaris Maarten van Ooijen (Volksgezondheid). Die had de Raad gevraagd om een actieplan om gehoorschade te beperken. De muziekwereld reageert niet erg enthousiast op het voorstel om het maximum volume terug te brengen van 103 naar 100 dB(A). De Tweede Kamer debatteert er vandaag over.

Je hebt het vast wel eens meegemaakt: een piep in je oren na een daglang dansen op een festival of een avondje in elkaars oren tetteren in de kroeg. Een duidelijk signaal van je gehoor dat het te hard was. Met een beetje mazzel trekt dat nare gevoel weg, als je pech hebt blijf je voor altijd met oorsuizen zitten. Dat moeten we voorkomen, stelt de Gezondheidsraad op verzoek van de staatssecretaris.

Volgens Jan de Laat, klinisch fysicus/audioloog, betrokken bij het adviesrapport, blijkt uit jarenlang onderzoek overduidelijk dat blootstelling aan veel lawaai slecht is voor het gehoor. ‘De eerste onderzoeken daarnaar vonden plaats in de jaren tachtig en negentig en gingen over hard geluid op de werkvloer. Logisch: als de werkgever er oorzaak van is dat je gezondheidsproblemen hebt, moet je daar iets aan doen. Maar blootstelling aan hard geluid vindt natuurlijk ook plaats in de privésfeer. De vraag is: in hoeverre moet je daar als overheid iets aan doen? Je kunt je voorstellen dat de staatssecretaris daar een beetje mee worstelt. Het is een beetje vergelijkbaar met roken: ergens in de jaren zeventig wisten we heus wel dat roken gevaarlijk is en kanker kan veroorzaken. Maar ja, wanneer kondig je maatregelen aan? Je mag jezelf schade toebrengen als je dat wilt, toch? Vijftig jaar later worden nog steeds nieuwe maatregelen afgekondigd om het op bepaalde plekken niet meer toe te staan. Zo lang duurt het kennelijk om maatregelen te initiëren als het om vrijwillige blootstelling aan gezondheidsschade gaat.’

Sluimerschade

Dus ja, het is toch je eigen keuze om naar concerten te gaan? Het is een van de redenen dat de live-sector huiverig is voor het strenge advies van de Gezondheidsraad. Branche-vereniging VNPF somt een hele reeks argumenten op waarom zij de adviezen van de Raad buitenproportioneel vinden. ‘Bij 100 dB(A) (gemeten over 15 minuten) is het risico op gehoorschade niet weggenomen en is het dragen van gehoorbescherming nog steeds nodig. Bovendien zou het gevaar weleens kunnen bestaan dat mensen bij 100 dB(A) wellicht geneigd zijn om de oordoppen uit te doen, met als gevolg dat zij alsnog risico lopen. Daarnaast is de VNPF niet overtuigd dat het maatschappelijke probleem van toenemende gehoorschade kan worden opgelost door het geluidsniveau in de sector te verlagen. Zo blijkt dat beginnende gehoorschade al voorkomt bij (jonge) kinderen, de oorzaak ligt niet bij de sector. Tenslotte blijkt uit het rapport dat er geen duidelijk wetenschappelijk bewijs is of andere maatregelen om schade aan het gehoor te beperken ook daadwerkelijk effect hebben.’

Het is natuurlijk lastig vast te stellen waardoor gehoor nu precies achteruit gaat. Diverse vormen van hard geluid lopen ook door elkaar. Vrijwel iedereen gebruikt tegenwoordig oortjes voor muziek en podcasts. Al van jongs af aan worden mensen op die manier blootgesteld aan hoge volumes. Dus ja, hoe weet je nou dat je gehoor achteruit gaat van het clubben? Volgens audioloog Jan de Laat is dat vooral helder als zich een ongeluk heeft voorgedaan, bijvoorbeeld een keiharde feedback in een concertzaal die direct voor piepende oren zorgt. ‘Dan kun je zeggen: daar komt het vandaan. Het andere is minder makkelijk aantoonbaar, maar uit onderzoek weten we dat een opeenstapeling van gebeurtenissen hetzelfde gevolg kan hebben. Het duurt vijf jaar, maar dan ga je het horen. Daar moet je voor oppassen, omdat het heel sluimerend is.’

De vinger van God

Toch ligt er wel degelijk een taak voor podia en festival, vindt ook de sector zelf. Al een paar jaar geleden ondertekenden veel partijen (ook de VNPF) een convenant waarin ze vrijblijvend toezegden een maximum van 103 dB(A) te hanteren. In vrijwel alle zalen zijn - al dan niet tegen vergoeding - oordopjes beschikbaar. ‘Maar ik heb ze nooit echt gedragen,' zegt Joost van Bellen, die al in clubs draait sinds het begin van de house. ‘Als ik ze in heb, heb ik het gevoel alsof ik er niet meer ben, alsof de wereld langs me heen gaat. Ik wil de muziek kunnen voelen, hard door de bocht kunnen gaan in de break. De ellende is ook dat als je met een dj samen draait die ze wel draagt, die zijn monitors vaak veel harder zet. Dus dan schrik ik meestal naar achteren.'

Van Bellen heeft zelf last van twee vormen van gehoorschade. ‘Ik heb een dip in het mid-hoog, waardoor ik soms mensen niet kan verstaan, ik word een beetje dovig. Het andere probleem is tinnitus, oorsuizen. Voor zover ik begrijp zijn bij tinnitus de haartjes in je oren die frequenties oppikken beschadigd of helemaal kapot. Daardoor denken je hersenen dat ze dat geluid moeten reproduceren, een fantoomgeluid.’ Volgens Van Bellen is gehoorschade onvermijdelijk als je in de muziek werkt. ‘Ik heb het omgedraaid, dat komt door Ardy B, een dj in de RoXY, die schreef in de RoXY krant dat op een dag de wolken open braken en God zijn vinger naar hem uitstak. De punt van zijn wijsvinger belandde in het oor van de dj en God zei: nu ben je beloond met de heilige piep. Nu ben je echt een dj.’ Dat klinkt haast romantisch, en dat is het natuurlijk niet. Maar volgens Van Bellen - en vele anderen in de muziekindustrie - zou de focus veel meer moeten liggen op de oplossing van het probleem. ‘Wat mij zo verbaast is dat wordt gezegd: de oorzaak moet worden gestopt, in plaats van dat er onderzoek wordt gedaan naar een oplossing. De farmaceutische industrie heeft nog helemaal geen onderzoek gedaan, waardoor er nog geen medicijn is tegen tinnitus.’

Ultrasone bassen

De Gezondheidsraad denkt daar anders over en vindt preventie wel belangrijk. Die eerder afgesproken 103 dB(A) is niet genoeg, constateert audioloog Jan de Laat. ‘En wij niet alleen, ook de WHO komt tot die conclusie. In landen om ons heen zijn de normen ook strenger. Zo is in België de toegestane geluidsnorm op het werk 75 dB(A) in plaats van 80, en zijn festivalorganisatoren verplicht om oordopjes uit te delen.’ De stap van 103 dB(A) naar 100 lijkt klein, maar het gaat om een enorm verschil. ‘Geluidsenergie is een logaritmische maat, van 103 naar 100 betekent een halvering’, zegt De Laat. ‘Maar het is gek, je merkt dat verschil wel, maar het is ook weer niet zo groot als je denkt.’

Voor de popsector is het lastig in de praktijk te brengen, denkt de VNPF. Het is immers al een hele kunst om een groot veld te voorzien van voldoende volume. Bij grote mensenmassa’s moeten ook de achterste bezoekers de muziek hard genoeg tot zich krijgen, zonder dat de voorste mensen omvergeblazen worden. En geluid, dat moet je niet alleen horen, dat moet je ook voelen. Iedere festivalbezoeker of clubber kent het gevoel ‘in de muziek te staan’, de bas in je lichaam te voelen. Maar volgens Jan de Laat is daar wel een oplossing voor. ‘Dat voelen zit hem vooral in de lage tonen. Maar tegenwoordig zijn we met die grote geluidssystemen ook in staat om ultrasone tonen uit te sturen, bijvoorbeeld 20 Hertz. Die kun je niet horen, maar wel voelen. De techniek staat voor niks: zo kun je de geluidsbelasting omlaag brengen, maar de muziek nog steeds voelen.’

Morgen verschijnt op 3voor12 een stuk met ervaringsdeskundige muzikanten over de gevolgen van gehoorschade.