IM Selim Lemouchi door Henk van Straten: "All The Things That Make Me Human" IM Selim Lemouchi door Henk van Straten: "All The Things That Make Me Human"

Devil's Blood frontman overleed gisteren

, Henk van Straten

IM Selim Lemouchi door Henk van Straten: "All The Things That Make Me Human"

Devil's Blood frontman overleed gisteren

Henk van Straten ,

Gisteren werd bekend dat Selim Lemouchi, vooral bekend als frontman van de occulte band The Devil's Blood, overleden is. Henk van Straten, romanschrijver en freelancer voor o.a. Volkskrant Magazine en Nieuwe Revu, zat in de jaren negentig als jonge jongen met Selim Lemouchi in een band, en haalt herinneringen op aan een intense persoon en muzikant.

Ik leerde je kennen in '95? '96? Onze vriendengroep was verdeeld over twee Eindhovense hardcore punkbandjes: de mijne, Maypole, en de jouwe, Urban Conflict. Maar jij kwam eigenlijk van buiten onze groep. Je had ook nog een eigen metalband ernaast. Van ons was je de enige met lang haar. (Voor een baard had je nog niet genoeg gezichtshaar.) Je was 'de metal-gast'. Eigenlijk ging dat niet samen, punk en metal, maar jij had daar schijt aan, je had lak aan die hokjes en omdat je dat ook uitstraalde werd je - op de nodige pesterige opmerkingen na - geaccepteerd. Daarnaast kon je zo goed gitaarspelen dat je ons allemaal de mond snoerde.
   
We waren pubers toen, vijftien en zestien jaar oud. Ik herinner me je als een beetje goofy, een beetje onnozel, meer met je muziek en je gitaar bezig dan met uiterlijk en populariteit. Kortom, zoals echte muzikanten zijn. Ik herinner me je open gezicht, de energie in je ogen, je goedlachse voorkomen. Zo heb ik je ook de jaren daarna gekend.
   
We kenden elkaar nog niet goed in die tijd. De vriendengroep was chaotisch en de twee bands trokken niet altijd met elkaar op. We zagen elkaar bij onze optredens in jeugdcentra. Sjouwend met versterkers, dollend, drinkend. Blij met twintig man publiek. We waren jongens die denken dat ze mannen zijn. Ik herinner me je veel te lange solo's en hoe wij dan in de zaal grijnzend devil's horns naar je uitstaken. Je was een jonge hond, je ging alle kanten op.
   
Volgens mij heb je de middelbare schol nooit afgemaakt, maar dat weet ik niet zeker. In ieder geval ging je al jong werken bij stripwinkel Eppo op de Kleine Berg. Je was fan van comics. Jarenlang was dat een heel vertrouwd beeld: Selim in de Eppo.

Er was een keer, in een parallelstraatje achter het Stratumseind, achter de kroegen, dat we naast elkaar coke zaten te snuiven. Ik weet niet meer precies wat voor nacht dat was. Wel weet ik nog dat je toen ineens heel serieus en stil was, en dat me dat opviel. Die kant van je kende ik nog niet. Volgens mij zaten we die coke zwijgend te snuiven. (Het was maar een klein beetje coke, we hadden geen geld voor meer.)

De periode daarna zagen we elkaar niet veel. Je kreeg een lange, serieuze relatie. Een meisje wier naam je later op je arm zou laten tatoeëren, met een rode roos erbij, de enige kleurentattoo die je ooit zou laten zetten. Urban Conflict werd opgeheven. Pas toen wij met Maypole rond 2001 semi-serieus begonnen met optredens en touren, en onze lead-gitarist ermee stopte, kwam je terug in mijn leven. Je lange haar had je eraf geschoren (dat zou je vaker doen, lang laten groeien en weer afscheren). Je kwam bij de band. De daaropvolgende twee of drie jaar was je één van ons.
   
Tijdens repetities was je rustig en maakte je geintjes, maar de muziek nam je serieus. Op het podium speelde je jezelf stuk. Wij allemaal trouwens. Na afloop waren we compleet geruineerd, dampend van het zweet. Goddomme, wat mooi was dat. Voorafgaand aan en na afloop van optredens was je wild, zo wild als we allemaal waren. Je was vrolijk en had een tomeloze, soms bijna kinderachtige energie.

We hadden een groene Ford Transit gekocht. Daarmee reden we voor slecht bezochte optredens naar Frankrijk, Spanje, Portugal, Duitsland en Groot-Brittannië. Het zijn deze reisjes die me het beste zijn bijgebleven. Opeengepakt op de achterbank, benen tegen elkaar aan geplakt, stinkend, lachend, slapend, vittend, plagend. Hoe vaak hebben we Iron Maiden geluisterd? En hoe vaak heb ik daarover geklaagd? (Nu vind ik het gaaf, kun je dat geloven?) Hoe vaak luisterden we naar en zongen we mee met Hank III? ('Well my name is Cecil Brown and I'm from a little town where people don't think muuuuuch of me. I never understood why they thought I was no good, but this is hoooooow it seems.')
   
In zekere zin was je de wildste. We waren aan elkaar gewaagd, maar bij jou voelde ik dat je altijd nog verder zou kunnen gaan. Je was geen waaghals, probeerde anderen gelukkig niet over de streep te trekken, absoluut niet zo'n irritant desperado-type. Het was meer een ongebreideld soort enthousiasme. Je deed het allemaal met een vrolijke kop, lachend, vriendelijk. Diep van binnen was je een beleefde jongen, ja, zelfs toen je in Duitsland op het dak van de bus stond met je broek op je enkels, rondjes draaiend met je pik, en schreeuwend: 'Hubschraube! Hubschraube!' Zelfs toen we met z'n tweeën in een godverlaten Oost-Duits dorpje brullend op zoek gingen naar 'very hard drugs'.
   
Ik herkende iets in je. We deelden iets. De donkere kant van het Grote Waarom. Het diepe existentiële ravijn waarlangs we allebei leken te lopen. Dat uitte zich soms in misantropie en cynisme, of op z'n minst pessimisme. Bij jou overigens meer dan bij mij. Ik weet nog hoe je één van ons, Michiel, op de kast kreeg met een vilein betoog tegen diens idealistische vegetarisme. Nu ik daaraan terugdenk, denk ik: ja, natuurlijk. Het paste in de stijl van het nietzscheaanse satanisme dat je later zo serieus en devoot bent gaan omarmen. Een mens is een jager, een mens is bloeddorstig. Je tegen die impulsen en instincten verzetten is een symptoom van de hypocrisie der christenen. 
   
Ik genoot van onze gesprekken in de tourbus. Toen we onderweg waren naar Portugal had je Lords of Chaos bij je, het boek over de Noorse black metal scene. Ik mocht het van je lenen en ik las het die reis in één adem uit. We spraken erover, je vertelde me over het ware satanisme. Niet de puberale aanbidding van een rode gevallen engel met een drietand aan het einde van zijn staart, maar de onderdompeling in het occulte, de krachten van de aarde, van de dood, van creatie en vernietiging, het accepteren van het volledige spectrum van het mens-zijn en het beest-zijn. Gisteren zat ik filmpjes te kijken op Youtube. In één interview wordt je gevraagd wat je inspireert tot het maken van muziek. 'The devil,' zeg je. 'Satan.' En vervolgens licht je gelukkig toe wat je daarmee bedoelt: 'Darkness, light, misery, love, passion, dispair, joy... all the things that make me human, without discriminating between them.' Je vertelt erover met die vriendelijke, zachte ogen die ik zo goed ken.
   
Without discriminating between them... Het hoort allemaal bij ons. Het is onzin om te zeggen: dit hoort bij de mens en dit hoort niet bij de mens. Ieder bepaalt zijn eigen moraal. Iedereen is een god, lelijk en fantastisch, beestachtig en nobel. Ik realiseer me nu pas hoeveel raakvlakken satanisme en boeddhisme hebben. Waar de 'immoraliteit' van het satanisme misschien geneigd is tot hedonisme en dat van boeddhisme eerder tot beheersing, hebben de twee niettemin iets essentieels gemeen: de mens accepteren in zijn volledigheid, inclusief alle dingen die we liever niet toegeven aan onszelf, waar we preuts over doen, of hooghartig. En vooral: de dood als voorwaarde voor het leven.
   
Jij ging op zoek naar de duivel. Ik naar de Boeddha. Wat gaaf zou het zijn geweest om daar nog eens over te kunnen praten.
   
De lol die we hadden. De kleine ruzies. De lange uren in die bus. De orgastische uitbarstingen op het podium, ook al stonden er maar drie Duitse krakers en één manke herdershond naar ons te kijken.
   
Je vertelde ons in die tijd ook over je vader, een Algerijnse man met psychiatrische problemen. Hij had je in de steek gelaten. We luisterden naar je, maar waren nog te jong om iets zinnigs terug te zeggen. In latere interviews zou je het hebben over je genetische aanleg voor depressiviteit.  
   
In 2004 trokken we de stekker uit de band. Jij en ik begonnen kortstondig een eigen projectje met akoestische gitaar. Grace Louisiana, zo noemden we het. We oefenden op de zolder van het huis van je moeder. Maar ik was niet muzikaal genoeg. Dat wist ik eigenlijk al wel, maar ik wilde zo graag. Er moeten hier opnames van zijn. Godver, waar zijn die opnames? Op jouw computer, denk ik.
   
Daarna verloor ik je een beetje uit het oog. De jongens van Maypole bleef ik veel zien, maar jij was toch altijd al een beetje outsider. Je was er later bijgekomen, misschien was dat het. Of misschien was je gewoon wat meer op jezelf.
   
Wel speelde je gitaar op mijn huwelijk. Weet je dat nog? Je stond aan het einde van het gangpad met je gouden Les Paul en speelde het deuntje van Daar komt de bruid terwijl mijn vrouw door haar vader naar voren werd begeleid. Daar ben ik trots op, man.
   
De jaren erna volgde ik je van een afstandje. Je onwerkelijke succes met je band The Devil's Blood. Je interviews in kranten en op internet. Ik was één van de genodigden voor het presentatie-optreden van The Time of No Time Evermore. Stond je daar overgoten met varkensbloed, met je lange haar, je grote baard, je occulte tattoos, je leren jack. Je noemde het geen optredens maar séances. Het waren rituelen. En dat zag je. Het was een hypnotiserende oorlog van seks en dood en gitaren.

Ik was jaloers. Je had een echte band. Een échte band.

 

Toen ik hoorde dat je jezelf had laten opnemen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis, verslaafd aan cocaïne en depressief, ben ik je nooit gaan opzoeken. Daar heb ik spijt van. Maar ook denk ik nu: toen wilde je nog niet gaan. Je koos ervoor om te vechten. Het wekt de suggestie dat je nu, afgelopen dinsdagnacht, wél echt wilde gaan. Daar kan ik troost uit putten.
   
In een tv-document vertelde je, in je huis, eerlijk en zonder schaamte over je depressie, en je kondigde toen al aan dat je zelf zou bepalen wanneer je uit het leven zou stappen. Het was een vreemde, mooie uitzending. Aan de wand al die omgekeerde crucifixen. Een muurschildering gemaakt met je eigen bloed. Veel mensen vonden dat ziek en smerig, maar ik begreep het. Je zag je eigen leven stollen en sterven. Eerst zat het in je, was jij het, en toen was het buiten je, droogde het tot korsten op een muur en was het dood. Dat zegt iets. Dat is iets. Het trekt alle aannames over 'ik ben' in twijfel. 
   
En toch.
   
Toch had het iets tragisch. De omarming van het satanisme was de omarming van je eigen dood. Die schildering op de muur... Alsof je naar je eigen dood zat te kijken. Ik vraag me af: toen je die tv-ploeg zo nuchter vertelde over zelfmoord, kwam die nuchterheid werkelijk voort uit een totale acceptatie van en vrede met de dood? Of was het een verdedigingsmechanisme? Wist je dat een vroegtijdige dood niet af te wenden was en deed je daarom alles aan om die dood in je armen te sluiten? Waren je optredens met The Devil's Blood ceremonies voor je eigen dood? Maar kom op man, naast misery en darkness waren er toch ook light en passion, dingen om te vieren? Ik lees nu dingen op internet, je kon je demonen steeds moeilijker op afstand houden. De band die je oprichtte na TDB noemde je Selim Lemouchi & His Enemies. Wie waren die vijanden?
   
Zoals het cliché gaat: kon ik het je maar vragen.
   
Je was een integere, maniakale muzikant geworden. TDB was jóuw band. Je was de dictator en wond daar geen doekjes om. Je stopte op het hoogtepunt omdat je vond dat je met die band alles had gezegd wat er te zeggen was. Waar anderen zouden zijn doorgevaren op de warme zee van succes, kon jij een dergelijke koers niet aan jezelf verantwoorden. Ik móet hier haast wel een parabool in zien. 
   
De laatste paar jaar woonden we in dezelfde buurt. Je had een hond genomen, een reusachtige witte Argentijnse Dog. Anders kwam je je huis niet meer uit, dat vertelde je een keer op straat. Want dat waren de enige momenten waarop we soms nog met elkaar praatten, vluchtig in het voorbijgaan, en vaak had ik ook mijn hond bij me, en onze twee honden wilden elkaar het liefst aan stukken scheuren, dus dan praatten we niet.
   
Vaak hoorde ik je in de verte ineens mijn naam roepen. 'Henkie!' riep je dan. En dan keek ik. En dan liep je daar. En dan zwaaiden we naar elkaar. En altijd keek je dan vrolijk. Zoals ik je kende. Zoals ik je ken.
   
Ik vind dit kut, man. Ik vind dit echt ongelofelijk kut.
 

Nu op 3voor12