Urbanus op Pinkpop: “Ik heb het echt moeten verdienen” Urbanus op Pinkpop: “Ik heb het echt moeten verdienen”

Vlaamse komiek terug naar zijn roots als Urbanus van Anus

, Atze de Vrieze

Urbanus op Pinkpop: “Ik heb het echt moeten verdienen”

Vlaamse komiek terug naar zijn roots als Urbanus van Anus

Atze de Vrieze ,

De meest opvallende boeking van de aanstaande Pinkpop-editie is niet Robbie Williams. Nee, het is Urbanus en de Fanfaar. Of toch ook weer niet: de Vlaamse cabaretier en liedjesschrijver heeft immers Mr Pinkpop Jan Smeets als manager. “Ik hoor mensen zeggen: ah, zo is ’t niet moeilijk om op Pinkpop te spelen. Maar ik heb dat echt moeten verdienen hoor. Kennelijk viel wat ik met deze groep doe erg mee.”

Urbanus. Wie opgroeide in de jaren zeventig, tachtig en negentig kent de vrolijke, wat dommige Belg natuurlijk wel, maar de nieuwe generatie zal zich even op het hoofd krabben. Halverwege de jaren zeventig brak hij in eigen land knalhard door met een kerstnummertje waarin Jozef en de Heilige Geest met elkaar op de vuist gingen. Dat was nog maar het begin, want decennialang trakteerde de cabaretier slash liedjesschrijver ons op liedjes en sketches die het midden hielden tussen flauw en spitsvondig. Hittentit werd een hit in 1982, en ruim een decennium later toverde hij ons de blosjes op de wangen met het ondeugende Poesje Stoei. In opperste opwinding ligt de chansonnier te wachten op een meid die zich maar eindeloos loopt op te doffen. “Wat zit je daar te prutsen in die badkamer zo lang, straks plakken mijn erfgenamen tegen het behang.” 
 
Ja, dat was Urbanus. Humor Om Te Lachen, noemde hij het zelf adequaat. Ze hebben hem uit menig Vlaams bloemperkje moeten vissen. En ook in Nederland deed hij het goed. Koko Flanel, een doldwaze komedie uit 1990 waarin Urbanus op zoek is naar een geliefde en zelfs een modellencarrière niet schuwt, daar konden wij ook in Nederland wel om lachen. Hij is er een soort kruising tussen Louis de Funès en een verstrooide Belg. De theaters vult hij ook al jaren. Onlangs nog sloot hij een grote tournee af. “Met een programma doe ik altijd drie jaar”, zegt hij. “Twee in Nederland, een in België. ‘Zijt ge dan twee keer zo populair in Nederland?’, vragen mensen dan, maar nee. Bedenk: Nederland is een heel land. België is een half land. Wallonië, daar sturen we wel ons geld heen, maar niemand kan daar iets gaan rapen.”
 
Jan Smeets en Urbanus, dat is een logische match. Ze kennen elkaar al vier decennia, en in de loop der jaren beginnen ze zelfs steeds meer op elkaar te lijken met hun witte baarden en guitige pretogen. “Zeker naarmate we allebei wat krommer beginnen te lopen”, beaamt Urbanus, inmiddels 66 jaar en nog altijd actief. Hij stond ooit eerder op Pinkpop, in 1977, alleen wel in een weinig eervolle rol. “Het was het eerste jaar dat groepen geen bis-nummers meer mochten spelen, en ik werd als presentator het podium opgestuurd net nadat Golden Earring met hun gigahit Radar Love had afgesloten. Ik werd door 60.000 man uitgejoeld. Ik zei: ‘nooit meer.’”
 
Bij de overstap naar Nederland kwam Jan Smeets om de hoek kijken. De Limburger zag Urbanus spelen in het Sportpaleis in Antwerpen en stak zijn hoofd om de hoek van de kleedkamer. “Het was het oude sportpaleis, waar het nog rook naar de massageolie van de wielrenners. Hij vond het leuk wat ik deed en stippelde meteen een kleine tournee uit in Nederland. Maar ik zat op dat moment bij een corrupt theaterbureau, dat prompt op alle data die hij voor me geregeld iets anders boekte en me daaraan hield. Een jaar later ben ik toch met Jan gaan werken. Tussen Jan en ik bestaat geen hiërarchie. Hij stelt me dingen voor, ik beslis dan of ik het doe of niet. En hij is op zijn beurt zeker niet mijn slaaf.”
 
Dat Urbanus de overstap naar Nederland maakte is helemaal niet zo gewoon als het misschien lijkt. Kleinkunst en cabaret, daar hebben wij Nederlanders onszelf altijd erg goed in gevonden. Maar Urbanus vond zijn rol. Hij liet zichzelf zien als een onhandige Belg, een grappige kluns. Nederland viel ervoor. “In de jaren zeventig werden wij in Vlaanderen opgevoed met een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Nederlanders. Ik weet nog dat we eens met een paar Belgische kleinkunstenaars een tv-programma van een uur moesten maken met nauwelijks budget. Er kwam ook een Nederlandse cabaretier, Jasperina de Jong, die 90% van het budget bleek op te strijken. Daar werd dan ook nog het minst naar gekeken. Er heerste toen een misprijzen over onze eigen mensen.”
 
“Toen ik zelf voor het eerst naar Nederland afreisde voor een optreden, hoorde ik Peter Koelewijn op de radio onze nationale held Will Tura pluggen. Uit zijn nummer straalde de typische Vlaamse bescheidenheid: dj, draai alsjeblieft mijn plaatje. Daar lachten de dj’s in Nederland om. Ik dacht: dat doe ik niet, dat geslijm. Mijn eerste grap op het podium was: ‘Ik heb meegedaan aan een radioquiz. De eerste prijs was een week in Nederland. De tweede prijs was twee weken in Nederland. Ik heb de 28e prijs gewonnen.’ Dat vonden ze prachtig.”
 
Urbanus heette in die tijd nog Urbanus van de Anus, een overblijfsel uit de korte tijd dat hij in een band speelde die zo heette. Die band had maar een paar maanden bestaan, Anus, en een succes kon je het bepaald niet noemen. “Eigenlijk konden we geen van allen spelen”, vertelt hij. “Ik deed ploink, de drummer deed ploef, dat was het wel zo’n beetje. We waren een stel vrienden en een neef van ons. Eentje van ons zat enkel in de band omdat hij in de straat woonde bij Johan Verminnen. Dichterbij zouden we niet geraken. Zoals veel bands in die tijd deden, kletste ik de nummers aan elkaar met grappige praatjes. Die werden steeds langer, tot de band begon te klagen dat ze achter mij stonden te beschimmelen. Op een dag wilden de jongens niet meer en ben ik in mijn eentje gaan optreden. Ik ging verder als Urbanus van Anus, maar op aanraden van Drs P heb ik het laatste deel van mijn naam laten vallen. Hij zei: ‘daarmee krijg je enkel hooligans en carnavalsidioten achter je aan. In Vlaanderen hebben ze het er nog jaren met stift achter geschreven op de posters.”
 
In wezen gaat Urbanus nu terug naar het begin van zijn carriere, dankzij de Brusselse band De Fanfaar. Zij begonnen ooit, iets meer dan tien jaar terug, hun loopbaan met een cover van Urbanus, Gigippeke van Meulebeik. Dialecter wordt het niet. Afgelopen jaar gingen ze al samen de Vlaamse festivals af. “In België noemen ze een marktplein met een worstenkraam al snel een festival, maar we hebben ook echt een paar grote gedaan”, vertelt Urbanus. “Het gros van de nummers die we spelen komt uit oude tours. We hebben een aantal nieuwe geprobeerd, maar dat haalt toch wel erg de vaart eruit. Ach, ik zag vorig jaar The Rolling Stones ook nog gewoon Satisfaction spelen.”

Nu op 3voor12