Maand van de popfotografie: “Het gekke is dat ik het nog steeds hartstikke leuk vind” Maand van de popfotografie: “Het gekke is dat ik het nog steeds hartstikke leuk vind”

Fotograaf vs digitale concurrentie, slinkende budgetten en beperkingen opgelegd door de artiest

, Atze de Vrieze

Maand van de popfotografie: “Het gekke is dat ik het nog steeds hartstikke leuk vind”

Fotograaf vs digitale concurrentie, slinkende budgetten en beperkingen opgelegd door de artiest

Atze de Vrieze ,

“De popfotograaf in de meest romantische vorm is een uitgestorven ras.” Bam, zomaar uit de mond van een van de meest prominente muziekfotografen van Nederland, Andreas Terlaak. “Niet uitstervend, maar uitgestorven. Er zijn nauwelijks nog mensen die er echt van kunnen leven.” Daar staan we dan, met ons idee om februari uit te roepen tot maand van de Nederlandse popfotografie. Ieder gesprek over dit onderwerp begint met een frons en aan de herinnering aan de gouden tijden, lang geleden. En toch, er wordt meer gefotografeerd dan ooit, toch?

"Dat was de druppel"
Het gezucht uit het fotografengilde is niet van gisteren. Vier jaar geleden bijvoorbeeld sprak popblad OOR bij zijn eigen veertigjarig bestaan met een aantal prominente fotografen uit de Nederlandse popgeschiedenis. Kees Tabak - onlosmakelijk verbonden met de punkrevolutie van eind jaren zeventig - zegt het daar al hardop: “De professionele popfotografie is dood. Ja, die stelling durf ik wel aan. De popfotograaf is gaandeweg het werken onmogelijk gemaakt – nog los van de vraag of hij nog wel kan leven van zijn werk nu iedereen een digitale camera heeft en de redactiebudgetten alsmaar minder worden. Drie nummers en dan inpakken, dat was voor mij de druppel; het einde van mijn carrière als concertfotograaf.”
 
Zo. In een alinea het probleem geduid waar iedereen tegenaan loopt. Want zo is het natuurlijk: de verschillen met de gouden tijd van de popfotografie - de jaren zeventig - zijn vrij eenvoudig aan te wijzen. Te beginnen bij de restricties vanuit het management van de artiest. De eerste grote fotografen mochten nog rustig het hele concert fotograferen, ze hadden creatieve vrijheid en konden wachten op hun moment. De fotograaf van nu moet toeslaan in de eerste drie nummers, en wordt naar buiten gedirigeerd voor de eerste zweetdruppels op de voorhoofden te zien zijn. Bij grote concerten worden fotografen bovendien regelmatig verbannen naar de geluidstafel, in grote zalen toch al gauw op een meter of tachtig van de actie. “Het is niet per se makkelijker om frontstage te fotograferen, hoor”, legt Paul Bergen uit, de ervaren fotograaf van o.a. ANP, Het Parool en AD. Hij drukte zijn eerste serieuze foto’s halverwege de jaren tachtig al af. “Maar als het te klein en te plat wordt, en bovendien iedereen op dezelfde plek moet staan, krijg je geen goede popfoto, maar een registratie. Daar kun je je niet zo in onderscheiden, en dan is er inderdaad geen moer aan.” 
 
Dezelfde promofoto in alle bladen
“Bij sommige artiesten mag je al blij zijn als je überhaupt bij de mengtafel mag staan”, zegt Andreas Terlaak. “Bij Barbra Streisand bijvoorbeeld stonden we bij de achterdeur van de Ziggo Dome. Steeds meer grote artiesten nemen zelf hun eigen fotograaf mee, of met een beetje mazzel wordt die lokaal ingehuurd. Soms wordt zelfs aan het begin van de tour een setje foto's gemaakt, waar de rest van de wereld het maar mee moet doen. Het komt er dus op neer dat de artiest een soort van censuur pleegt en/of zelf een beeld/identiteit/imago naar buiten brengt. De artiest bepaalt steeds vaker wat jij als fotograaf maakt. Dit geldt met name voor de Beyoncé's en Bruno Marsen.” 
 
Artiesten (of hun management) zijn er in de loop der jaren meer en meer voor gaan kiezen controle te houden over hun eigen beeld. Je loopt als fotograaf niet zomaar de kleedkamer in, zoals Kees Tabak graag vertelt over zijn favoriete jaren. De toegenomen beperkingen gelden ook voor portretfotogafie, waar steeds minder tijd voor vrijgemaakt wordt. “Een artiest heeft uiteindelijk liever dezelfde promofoto in alle bladen”, zegt Koen Poolman, hoofdredacteur van OOR. “Een beeld dat precies uitstraalt wat hij wil. Het is ook een budgetkwestie. Vroeger vlogen labels nog regelmatig een journalist met fotograaf over naar Londen, nu kiezen ze liever voor twee journalisten, dat is toch een artikel meer. Maar ook bij ons is het budget kleiner geworden. Wij hebben op de redactie van OOR een groot archief staan. Als ik een historisch verhaal heb, kijk ik ook eerst of er in het archief een goede promofoto zit, en dan pas of er tussen het andere werk iets goeds zit.” 
 
OOR heeft het budget voor fotografie flink teruggeschroefd de laatste jaren, en dat geldt eigenlijk voor alle media. De tweede belangrijke domper voor de professionele popfotograaf, die alles te maken heeft met slinkende oplagen voor zo’n beetje iedere papieren publicatie. Als er al betaald wordt voor journalistiek werk op internet, dan toch pas in de laatste plaats voor fotografie. “Niet lang nadat ik hoofdredacteur werd bij OOR, heb ik de vergoedingen voor fotografen gehalveerd. Daar ben ik niet trots op, het drukte simpelweg te zwaar op de begroting. Dat is een probleem, want het vak bloedt zo dood, er zijn te weinig plekken waar popfotografen nog betaald krijgen voor hun werk. Eigenlijk zou er een potje moeten zijn voor bijzondere producties, bijvoorbeeld bij de NJV. Fotografen zouden zich daar zelf hard voor moeten maken, maar ik denk er ook over om dat vanuit OOR te doen.”
 
Een concertkaartje als beloning
Dat de marktwaarde van een goede foto gekelderd is, komt niet alleen door de kleinere oplages en advertentie-inkomsten, maar ook door de opkomst van de digitale fotografie en het leger enthousiaste amateurs dat de camera ter hand neemt. Iedereen kan tegenwoordig een fatsoenlijk plaatje schieten van een band. Veel hobbyisten beginnen als amateur voor een blog of voor de site van OOR, en ze nemen vaak genoegen met een concertkaartje als beloning. Paul Bergen: “Om dat te kunnen doen, moet je er een baan bij hebben. Tegelijk is het makkelijker geworden. Je hebt zo weinig kosten: een keer een camera kopen en je bent klaar. En juist die mensen met een baan ernaast kunnen die investering wel doen.”
 
Andreas Terlaak heeft niet te klagen over muziekopdrachten, zegt hij. Als een van de weinigen in ons land verdient hij zijn brood vrijwel volledig met muziekwerk, met NRC en Mojo en Hitkrant als belangrijkste opdrachtgevers. Terlaak is een gelauwerd fotograaf: hij heeft de Zilveren Camera gewonnen met zijn foto van Amy Winehouse in Paradiso en werd onlangs genomineerd voor de Pop Media Prijs. Hij wordt geprezen voor zijn originele en krachtige concertfotografie. Maar ook Terlaak ziet dat er weinig rek in de markt zit. “Eigenlijk zou je naar Londen of New York moeten verhuizen, waar het vak echt nog bestaat.” En toch: zoals de hele wereld tegenwoordig uitgebreider dan ooit wordt gedocumenteerd, zo geldt dat ook voor de muziekwereld. Goedwillende amateurs komen en gaan, maar er is ook een nieuwe generatie fotografen die zich wel degelijk staande weet te houden. Al zijn media steeds minder vaak de opdrachtgever. 
 
Met name in de dancewereld is het volstrekt normaal dat een organisator flink in de buidel tast om zijn evenement vast te leggen. Awakenings Festival bijvoorbeeld zet niet minder dan veertien mensen in om de acht podia perfect vast te leggen. Daar is iets geks aan de hand: in feite werk je als fotograaf dan in opdracht van de organisator, en niet journalistiek. Maar je creatieve vrijheid is veel groter. “Twee van de belangrijkste dingen die ik tot nu toe als fotograaf heb kunnen doen zijn een volledige Europese tour met Neil Diamond en redelijk recent nog heb ik een hele nacht in Paradiso met en voor Prince gewerkt. Tijdens dit soort opdrachten heb je onbeperkte toegang, ruimte en vrijheid om - al dan niet in overleg met de artiest - tot een resultaat te komen”, zegt Andreas Terlaak, die ook elk jaar naar Curacao vliegt om daar North Sea Jazz vast te leggen voor de organisatie. Paul Bergen is net klaar met een embedded klus: hij was twee weken lang huisfotograaf van Vrienden Van Amstel Live in Ahoy. “Ik kan dan rustig met mijn groothoeklens vanaf het podium Cesar Zuiderwijk fotograferen”, zegt hij. “Ik mag op plekken komen waar ik als ANP-fotograaf niet mag komen. Drummers vinden dat zelf ook te gek, want het draait toch vaak om de zanger en de gitarist, die vooraan staan.”
 
Popfotografie al heel lang geen journalistiek meer
Er is inmiddels ook een generatie fotografen die nooit analoog heeft gewerkt. Nick Helderman bijvoorbeeld, al bijna tien jaar verbonden aan 3voor12, maar vooral bekend om zijn vrije werk. Zijn eerste camera was een digitale, de techniek leerde hij zichzelf aan. Hij ging mee op tour met onder andere Patrick Watson en The Ex, en hij laat daarbij een grote interesse zien in wat achter het gordijn gebeurt. Hij heeft een interessante toevoeging aan de tegenstelling tussen onafhankelijk journalistiek werk en commercieel werk voor een artiest of evenement. “Ik denk dat popfotografie al heel lang geen journalistiek meer is. Er is geen sprake van journalistieke vrijheid omdat de artiest wordt afgeschermd. Bovendien: een fotograaf die probeert een zo mooi mogelijke foto van een concert te maken, liegt altijd. Soms ziet het er veel spectaculairder uit dan het in werkelijkheid was. Als je eerst het vertrouwen wint van een artiest, of probeert een visueel verlengstuk te zijn van zijn artistieke visie, vind ik dat artistiek gezien eigenlijk eerlijker.”
 
Helderman heeft altijd zo gewerkt. In zijn begindagen ging hij mee met bands als Voicst en Bettie Serveert, dwars door Nederland. “Ik zie het liefst een band vijf keer; dan zie je bijvoorbeeld het verschil in de manier waarop het publiek reageert in Amsterdam en Hengelo.” Koen Poolman van OOR ziet Helderman als een van de grote talenten van de nieuwe generatie. “Ik vind het mooi wat hij doet, met bands mee. Al vraag ik me regelmatig af: wie gaat beeld van zulke obscure bands afnemen?” Dat lukt hem kennelijk, want naar eigen zeggen verdient Helderman zo’n 70 procent van zijn inkomen met muziekopdrachten. Rijk zal-ie er vast niet van worden, maar ach, Anton Corbijn woonde in zijn Londen-tijd begin jaren tachtig ook in een mini-appartement, met zijn raamloze keukentje als doka. Een zeker zakelijk vernuft is wel nodig anno 2015. Zo bedient Paul Bergen veel publicaties via het ANP, maar speelt hij persbureautje samen met Peter Bruyn. De journalist maakt maandelijks een lijst met potentiële concerten en interviews, waar verschillende regionale dagbladen op kunnen intekenen. Per krant levert één foto misschien niet genoeg op, maar bij meerdere geïnteresseerden heeft het wel zin.
 
Juist de negativiteit zorgde voor motivatie
Een ander groot talent volgens Poolman is Bart Heemskerk, een robuuste kerel die zich de afgelopen paar maanden vooral liet zien als de huisfotograaf van Kensington. Dat deed hij met vooruitziende blik, want Kensington groeide recht voor zijn lens uit tot de populairste rockband van Nederland. “Kensington is voor mij een investering”, zegt hij. “Ik doe het niet voor niets, maar ik krijg er ook niet heel veel geld voor. Als een promotor een foto van mij wil gebruiken voor een poster, loopt dat via mij. Oudere fotografen hebben de term popfotografie vaak doodverklaard. De manier waarop zij in het verleden met artiesten omgingen, is compleet voorbij. Maar juist de negativiteit zorgde bij mij alleen maar voor meer motivatie. De vraag naar beeld is groter dan ooit. De uitdaging is: hoe kan je er een inkomen uit halen, investeringen blijven maken. Met investeringen doel ik niet op harde cash, maar op meegaan met bands, nieuwe plannen voor organisaties, social media-uitingen, elke stap die je maakt. Jij bent je eigen merk, je moet je laten zien. Het gaat ook niet meer alleen om je werk, het gaat er ook om of je een persoonlijke klik hebt.” Waar Nick Helderman liefst achter het gordijn kijkt, gaat Bart Heemskerk het liefst op zoek naar een sensationeel beeld. Of zoals Koen Poolman het zegt: “Hij kan ieder klein kutbandje er doen uitzien alsof ze in de Ziggo Dome spelen.”
 
Het leverde Heemskerk afgelopen jaar de meest eervolle klus van zijn carrière op. Hij mocht als enige fotograaf het hele optreden van The Rolling Stones op Pinkpop fotograferen, in opdracht van de band zelf. “De bekende eerste drie nummers waren we weer met z’n allen in de pit. Daarna begon mijn werk voor de band. Voor de show had ik al een aantal meetings gehad met band en management. Ik kreeg de setlist en kreeg te horen welke momenten ik er vooral uit moest pikken. Zo gaat dat ook als je voor een festival werkt; ook dan bespreek je zulke dingen van tevoren. Tijdens zo’n show is het voor mij werk, maar ik geniet ook. Ik ren rond, loop met een grote glimlach en een paar kleine momenten stop ik even en laat ik het op me inwerken. IK, die jongen die een aantal jaar geleden achterin het Gelredome zat bij een groot concert, ik die ergens in het midden van een HMH stond of op het bovenste balkon van Paradiso stond, mag nu frontstage de grootste bands ter wereld fotograferen.”
 
De popfotografie van vroeger is er misschien niet meer, maar de popfotografie van nu wel. De komende weken duiken we dieper in het onderwerp, met artikelen over de fotografie van het nachtleven, de Do’s en Don'ts van digitale fotografie en de opkomst van de amateurfotograaf. 
“Het gekke is dat ik het nog steeds hartstikke leuk vind”, zegt Paul Bergen. “Ik loop er niet bij omdat ik er nu eenmaal graag bij wil horen, ik heb gewoon weer heel veel zin in het komende jaar.”

Nu op 3voor12