Krampfhaft: “Gelul over apparatuur is overbodig” Krampfhaft: “Gelul over apparatuur is overbodig”

Utrechtse producer over debuutalbum Before We Leave

, Ralph-Hermen Huiskamp

Krampfhaft: “Gelul over apparatuur is overbodig”

Utrechtse producer over debuutalbum Before We Leave

Ralph-Hermen Huiskamp ,

Krampfhaft is typisch zo’n producer die het goed doet onder collega-dj’s en fijnproevers, maar nooit echt een groot publiek heeft bereikt met zijn EP’s. Zijn debuutalbum gaat daar niks aan veranderen, want is waarschijnlijk het abstractste wat hij tot nu toe afleverde. Tegelijkertijd is het een van de meest intrigerende Nederlandse elektronica releases van het jaar, en dus een goede aanleiding hem eens te bellen.

Ondanks dat Joris van Grunsven - Krampfhafts naam in het dagelijks leven - zich richt op een niche (als hij zich al op een publiek richt), haalde hij dankzij de legendarische DJ Shadow twee jaar terug bijna alle internationale muziekmedia. Hoe zat het ook al weer met dat verhaal? In december 2012 werd de Amerikaanse dj in een club van het podium gestuurd door de clubmanager. Niet omdat hij zich onredelijk gedroeg, maar omdat hij te futuristische muziek draaide. Het nummer dat de spreekwoordelijke druppel was? Juist, Krampfhaft’s Spit Thunder. De term futuristisch was geen toevallige keuze. De EP’s van Krafthaft werden vaak onder het kopje “future bass” geschaard, voor zover dat ook echt een genre genoemd kan worden. Veel bas dus, hiphopsamples, af en toe een trap snare, het type muziek dat een zaal vanuit het niets kan laten ontploffen. Dat soort tracks zijn echter schaars op Before We Leave. Waar de kracht van hem eerder leek te liggen in het bewust buiten de lijntjes kleuren, lijken die lijntjes op het album grotendeels verdwenen.

Liever minder relevant
Maar toch, als je het album opzet klinkt het herkenbaar. Bij de eerste tracks kun je je nog voorstellen dat ze het goed doen in de club, maar daarna trekt de producer het album steeds meer de diepte in. Een bewuste keus, vertelt van Grunsven. “Ik wilde de luisteraar meteen grijpen, voordat ik de diepere dingen liet horen. De aandachtsspanne is tegenwoordig klein, dus als ik meteen zou beginnen met die vage, uitgerekte composities zouden veel mensen meteen afhaken. Ik heb daar lang over nagedacht. Juist door in het begin de bekendere feel te laten horen, vervolgens iets gas terug te nemen en in het midden weer een kleine opbouw en vervolgens weer af te bouwen, kunnen mensen het langer volhouden.”

De nadruk op het album ligt dus minder op bangers die een club op de kop kunnen zetten, en is daarmee meteen een stuk minder hitgevoelig. Ook al bewust. “Ik begon ooit met vage muziek, maar kwam op een gegeven moment in een bepaalde lichting muzikanten terecht. Je bent dan goed op de hoogte van wat er speelt, en weet hoe je zelf kunt opvallen met een bepaalde sound. 'Als ik dit doe, precies dat, en er een randje van dit in gooi', dan gaat het werken. Je kunt je succes zo een beetje sturen. Maar tegelijk komt het dan ook minder uit jezelf. Als je dat allemaal los kunt laten, kan je ook weer vrijer nadenken. Aan de andere kant verlies je dan ook misschien je relevantie. Neem grime bijvoorbeeld. Dat zie je nu weer een beetje terug komen. Ik zou mijn stijl daarop aan kunnen passen, en er met grime een nieuwe twist aan kunnen geven. Dan denken mensen opeens “goh, hij maakt interessante muziek”. Maar het is nu gewoon niet in mij opgekomen, dus dan hoeft het ook niet. Ik wil gewoon muziek maken zoals ik er zin in heb. Dan ben ik liever wat minder relevant.”

Experimentele shit versus werk
Veel artiesten gaan naar verloop van tijd zichzelf in de weg zitten. Ze breken door omdat ze iets unieks goed kunnen, maar naar verloop van tijd gaat dat “trucje” de creativiteit in de weg zitten. Er moeten dan noodgrepen worden uitgehaald om die creatieve prikkel weer terug te krijgen. Denk aan beroemde verhalen als Chris Martin die van producer Brian Eno met vastgetapete vingers moest piano spelen, of zoals Ben Frost onlangs 3voor12 vertelde dat hij al zijn vaste instrumenten overboord gooide. Van Grunsven hoeft dergelijke acties voorlopig niet uit te halen doordat hij zichzelf met zijn werk met Studio Takt, zijn bedrijf waarmee hij in opdracht muziek en sound design aflevert aan o.a. reclamebureaus. “Ik word niet vaak gevraagd voor dingen die precies in mijn straatje als artiest liggen. Veel opdrachtgevers weten niet eens dat ik als Krampfhaft ook dingen doe. Ik word dus net zo goed gevraagd voor akoestische liedjes. Dat levert meer op dan alleen maar in je eigen hoekje hangen. En als iemand heel veel geld neerlegt voor een sound design ga je toch wel even anders te werk dan wanneer ik voor mezelf op een zolderkamertje aan het knutselen ben.”

“Dat heen en weer bewegen tussen mijn werk en mijn muziek als artiest loont. Soms ben ik een poos voor werk bezig met muziek die me artistiek niet blij maakt, maar daardoor ga ik dan juist voor mezelf weer bezig. Aan de andere kant word ik soms ook moe van die experimentele shit die ik zelf maak, dan vind ik het weer prettig om met werk bezig te gaan en wat minder te hoeven nadenken. Het enige nadeel is dat ik altijd muziek aan het maken ben, waardoor ik soms zo uitgeblust ben dat ik niet meer aan eigen producties en aan muziek luisteren toe kom. Maar ergens is het ook wel fijn om het los te laten en niet meer al die nieuwe promo’s door te spitten. Ik hoef niet alleen maar te denken hoe muziek werkt in een dj-set. Als ik nu optreed draai ik alleen nog maar eigen materiaal.”

Gelul over apparatuur
Bij popmuziek vallen de meeste titels van tracks vrij gemakkelijk te verklaren. Even turven, en het woord dat het meest en het nadrukkelijkst herhaald wordt is hoogstwaarschijnlijk de titel. Bij instrumentale muziek ligt dat net wat lastiger. Sommige artiesten maken er zelfs een spel van om de titels zo nietszeggend mogelijk te maken. Bij Krampfhaft verschilt het per nummer. “Sommige titels trek ik gewoon ergens vandaan, er zit immers niet per se een verhalend element in elektronische muziek. Maar Waiting For Emma schreef ik voor mijn toen nog niet geboren dochtertje, Toekan is meer komisch (een toekan-achtige sample vormt de basis van de track, red.), Veluwe heet zo omdat ik als experiment vorig jaar in mijn eentje in een huisje op de Veluwe ben gaan zitten. Soms is het goed om ergens anders te gaan zitten, een andere sfeer te pakken. Aan de andere kant belemmerde het ook mijn vrijheid. Ik had een huisje gehuurd, mijn spullen er neergezet, dan moet er ook echt wel wat uitkomen.

Naast dat het uitstapje naar de Veluwe de druk wat opvoerde, voelde Krampfhaft zich er ook wat onwennig. “Ik ben behoorlijk gehecht aan mijn eigen studio. Ik had mijn apparatuur dan wel meegenomen, maar ik ben ook gewend aan hoe het thuis staat opgesteld, hoe het in de ruimte klinkt.” Zijn nadruk op de ruimte en niet de apparatuur is opvallend en al weer geen toeval. “Ik denk dat het gelul over apparatuur grotendeels overbodig is," stelt de Utrechter. "Je moet pakken wat je fijn vindt en waar je wat mee kunt. Als je een tof nummer kan maken met een synthesizer van 12.000 euro, dan moet je dat vooral doen. Maar voor mij maakt dat het verschil niet. Muziek komt voor mij uit mijzelf. Ik begon met muziek maken toen digitale muziek net kwam opzetten, toen was er ook een enorme discussie over analoog versus digitaal. Je moest dit hebben, je moest dat hebben. Ik heb dat altijd genegeerd. Als je analoog leuk vindt; gebruik het. Maar als je het doet omdat een artiest waar je tegenop kijkt het gebruikt, dan is het denk ik een hele dure fout. Ik houd me niet meer met die shit bezig, het is mooi of niet en dan kun je het alsnog gewoon uitzetten. De ruis op mijn album heb ik bijvoorbeeld met een analoge synth en mijn telefoon gemaakt, ik heb stukjes van YouTube gejat, ik heb wat in mijn telefoon gehijgd. Ik gebruik alles wat voorhanden is.”

Morgenavond (vrijdag 11 juli) staat Krampfhaft op Hoax in de Melkweg met o.a. Lone en Visionist.

Nu op 3voor12