Veel wilde haren op TegenTonen Veel wilde haren op TegenTonen

TegenTonen is er weer, tegentonen zijn er weer, tegentonen moeten weer

Veel wilde haren op TegenTonen

TegenTonen is er weer, tegentonen zijn er weer, tegentonen moeten weer

Elf jaar nadat het Tegentoon festival onder dezelfde naam zijn wilde haren had verloren en ophield te bestaan, herrees het op vrijdag 3 maart weer uit zijn as in Paradiso. Er is weer genoeg reden om tegendraadse klanken te presenteren in festivalverband. Het resultaat: veel wilde haren en vaandeldragers van de beweging die door het toonaangevemde blad The Wire ook wel The New Weird America wordt genoemd.

TegenTonen is er weer, tegentonen zijn er weer, tegentonen moeten weer

Elf jaar nadat het festival onder dezelfde naam z'n wilde haren definitief had verloren en ophield te bestaan herrees het op vrijdagavond 3 maart in Paradiso weer uit z'n as: TegenTonen. Omdat er anno nu weer evenveel reden is om tegendraadse klanken uit dat afwijkend universum in festivalverband te presenteren. Menig act zou anders nog niet een fractie van het publiek bereiken of zelfs ons land helemaal niet kunnen aandoen. En de naam maakt de vraag weer legitiem hoe tegen de tonen van die desbetreffende act dan wel zijn. In Paradiso waren er weer veel wilde haren, om maar niet te zeggen: it was hairy music time. De vijf optredenden konden allemaal worden ondergebracht bij de (tegen)beweging die door het toonaangevende blad The Wire twee jaar geleden The New Weird America werd genoemd. Dat veronderstelt een gemeenschappelijke noemer. Vrij losjes zou je kunnen zeggen dat die beweging, met de gitaar als centraal instrument, de grenzen van folk, blues, metal, impro en psychedelica onderzoekt en die genres met elkaar mengt. En een gemeenschappelijke noemer is haar, veel haar. Lang haar m/v... baarden en andere lichaamszones laten zich raden. Harige mannen en houthakkershemden all over the place dus toen het vijfkoppige Wooden Wand And The Vanishing Voice vers uit een sneeuwstorm als eerste de planken betrad. Het gezelschap psychedelische folksters rond James Toth moest daarom de soundcheck naadloos in het eigenlijke optreden over laten gaan. Het duurde dan ook even voordat de bontgekleurde geïmproviseerde songs richting kregen. Maar tijdens de tweede helft van hun optreden ontwikkelden zich wonderlijke ritmische en melodielijnen in een strakke cadans die de bijbelse thematiek van de groep bijna tot een sprookje maakten. In de bovenzaal trad daarna als eerste Sir Richard Bishop aan, gitaarreus en wereldreiziger. Hij fingerpickt in de traditie van wijlen John Fahey. Op diens label Revenant bracht hij albums uit en met Fahey deelt hij de voorkeur voor het onverwachte, grillige, tijdlloze en excentrieke. Dat kwam in het eerste deel van zijn optreden tot uiting in nummers waarin hij op een bizarre maar vanzelfsprekende manier Somewhere Over The Rainbow mengde met The Beatles, en jazzakkoorden met de aanslag van flamenco. Pas pakkend werd het in het laatste, furieus geïmproviseerde lange stuk waarin hij ragtime en Indiase raga vervlocht tot een hypnotiserend kolkende klankstroom. Dylan Carlson is niet alleen de man die het geweer leverde waarmee Kurt Cobain zichzelf en miljoenen pubers koppijn bezorgde maar vooral de man die met zijn groep Earth in de jaren negentig de traditie voortzette waarmee Black Sabbath in de jaren zeventig en Swans in de jaren tachtig waren begonnen. Lange, zware, instrumentale gitaarstukken met een hoofdrol voor de versterker. In alle opzichten en in alle effecten. Drones, doom en Americana. Van country, via jazz, naar blues. Maar ritmisch niet altijd even synchroon uitgevoerd en bovenal te zacht in de zaal (100dB). Dat is funest, want volume zou in dit geval het gebrek aan spanning door traagheid in ontwikkeling moeten compenseren. Het heliumstemmetje van Dylan doet dan de rest. Het zestal Espers maakte vervolgens in de bovenzaal grote indruk. Voorman zanger/gitarist Greg Weeks handelde solo in kraut en prog maar doet met dit gezelschap langs de weg van de acidfolk in tijdloze folksongs. Maar dan wel folksongs die in melodie, structuur en arrangement tot het meer complexe soort behoren. Een hoofdrol was weggelegd voor zangeres Meg Baird die zowel in timbre en klankleur als in zuiverheid en beheersing in de buurt van de legendarische Linda Thompson kwam. De rest van de groep mepte nog wel eens mis of jengelde vals maar de songs waren waren in de goede, met name Engelse traditie van een aardse schoonheid. Het slotakkoord werd verzorgd door Stephen O' Malley en Greg Anderson, met drie companen alias Sunn O))). Gehuld in fantasievolle monnikspijen, nauwelijks verlicht in blauwpaarsroze en stroboscoop, opgaand in rook. Een muur van speakerboxen en transparante versterkers. Met, voor zover te zien, alleen gitaren en bas, en een verdwaalde grunt en trombone. Traag en log als twee neukende dinosaurussen. Muziek die niet gaat over ritme en melodie maar over geluidsstructuren. In de goede traditie van fluxus- en minimalcomponisten als La Monte Young en Tony Conrad. Maar dan fysiek voelbaar want martelend hard (113dB). Voor menigeen ging het concert door tot twee dagen later. Wat een show! TegenTonen is er weer, tegentonen zijn er weer, tegentonen moeten weer. Omdat er ook altijd iets tegen moet zijn want anders stokt de ontwikkeling en wijkt het leven. Ook in de muziek. Concerten komen dinsdag online!

Nu op 3voor12