Exclusief: voorpublicatie Release, het verhaal van ID&T, deel 1 Exclusief: voorpublicatie Release, het verhaal van ID&T, deel 1

Voorpublicatie van het jongensboek rond Duncan Stutterheim en de zijnen

Exclusief: voorpublicatie Release, het verhaal van ID&T, deel 1

Voorpublicatie van het jongensboek rond Duncan Stutterheim en de zijnen

Houseproducer en popjournalist Gert van Veen beschreef de geschiedenis van mediabedrijf ID&T in Release, het verhaal van ID&T, deel 1. Lees nu alvast in een exclusieve voorpublicatie de eerste hoofdstukken over hoe een vriendenclubje uit Aalsmeer uitgroeide tot één van de grootste partyorganisaties ter wereld.

Voorpublicatie van het jongensboek rond Duncan Stutterheim en de zijnen

Hier volgen integraal de eerste vijf hoofdstukken uit 'Release, het verhaal van I&T, deel 1' over mediabedrijf ID&T geschreven door popjournalist en houseproducer Gert van Veen. Het rijk geillustreerde boek wordt pas 8 april aan de pers gepresenteerd, maar hier vast een exclusief voorproefje. Hoofdstuk 1 Inleiding House Music Het was een revolutie die de muziekwereld op zijn grondvesten deed schudden. Niets was daarna nog hetzelfde. House. Een radicaal nieuw soort dansmuziek, die vanuit undergroundclubs in Chicago en New York en later via Ibiza, Londen en Manchester in de lente van 1988 ook Amsterdam bereikte. House, of acid house, zoals het toen nog heette, stuurde schokgolven door de stad. Disco Hippies On Acid, in augustus ’88 georganiseerd door dj’s Eddy de Clercq en Joost van Bellen, zette de toon met flitsende stroboscooplichten, rookmachines en vreemde monotone muziek, die de hele nacht doorstampte. Het was een party naar Engels voorbeeld: daar was de acid house-rage al in volle gang. In een interview met de Volkskrant (september 1988) schetste De Clercq een recent bezoek aan de Londense club Spectrum: ‘Je stapt de rook binnen, komt er de volgende ochtend weer uit en je bent even op een andere planeet geweest. Ik had af en toe de indruk dat ik bij een Afrikaanse volksstam terecht was gekomen. Die energie, die heb ik sinds de punk niet meer meegemaakt. Al die mensen waren aan het dansen, heel heftig, niet van dat slome disco-gelummel. Echt bewegen. En niet twee of drie nummertjes, maar non-stop, vijf, zes uur achter elkaar.’ ‘The Summer of Love’, zoals de Engelse house-zomer van 1988 was gedoopt, begon in Amsterdam maar een paar maanden later, in september van dat jaar. Een groep in Amsterdam woonachtige Engelse dj’s, onder wie Paul Jay, Graham B. en Johnson, gaven onder de naam ‘Soho Connection’ party’s, waarbij Engelse partygangers voor een weekend in Amsterdam konden feesten. Het ‘London comes to Amsterdam’-feest van september 1988, met als gast-dj de Londense Danny Rampling, was een historisch evenement dat Amsterdam voor het eerst liet zien hoe er werd gefeest in Engelse stijl: hard en heftig, alsof het einde van de wereld voor de deur stond. Datzelfde weekend was club Roxy, waar Eddy de Clercq en Joost van Bellen draaiden, voor het eerst stampvol. Vanaf dat moment stonden er wekelijks lange rijen voor de deur aan de Singel. Maar tegenover die kleine groep fanatieke housers, die was ingewijd in de geheimen van de nacht, stond de rest van de wereld, die er niets van begreep – en er ook niets van wilde begrijpen. Die deed de nieuwe muziek af als een kortstondige trend, die voor het eind van het jaar weer voorbij zou zijn. ‘Is het nu zo langzamerhand niet afgelopen, dat elektronische geklooi?’ vroeg een doodserieuze interviewster zich in december 1988 af in het VPRO tv-programma Onrust. Daar was natuurlijk maar een antwoord op. ‘Afgelopen? Integendeel, het is nog maar net begonnen.’ ID&T Na die eerste ontdekking door een kleine elite binnen de grachtengordel, verspreidde de nieuwe housecultuur zich vervolgens over de rest van ons land. Toch zou het zo’n drie jaar duren voordat heel Nederland werd wakkergeschud – door de daverende beats van een tweede generatie. Die tilde de oorspronkelijke stijlen – house en techno – naar een volgend level: harder, sneller en zo mogelijk nog elektronischer. Zo ontstond voor het eerst in de geschiedenis van de popmuziek een eigen – typische Nederlandse – sound, die tot ver over de landsgrenzen bekend werd. Het was een jonge, bruisende scene, die zich niets aantrok van de wetten en regels van de gevestigde muziekwereld, en bij gebrek aan plekken om te feesten zelf party’s ging organiseren: Mayhem, The Beatclub, Multigroove, met eigen dj’s als Dano, Gizmo, Buzz Fuzz en The Prophet. Veel van die feesten werden illegaal georganiseerd – dus zonder dat er een vergunning voor was – in leegstaande loodsen op verlaten industriegebieden of op willekeurig welke plek waar je een nachtlang kon dansen. In de wetenschap dat er elk weekend duizenden jongeren op zoek waren naar een feest, begonnen de meest ondernemende geesten vervolgens ook grote hallen af te huren, zetten er een immense geluidsinstallatie neer, en creëerden zo een compleet nieuw fenomeen: de raves. Rave Of The Nineties van dj Per (Beatclub) schreef geschiedenis als het eerste grote feest (januari 1991, Ahoy, Rotterdam). Later dat jaar volgden twee edities van Rave The City in respectievelijk de Houtrusthallen en de Statenhal in Den Haag en Lucifer’s Universal Housenight, eveneens in de Statenhal. In dit klimaat gaven drie vrienden uit het dorpje Landsmeer (onder de rook van Amsterdam) op 20 juni 1992 hun eerste grote feest, waarvoor ze het ook maar meteen groots aanpakten. Irfan, Duncan en Theo – ID&T – huurden de Jaarbeurs in Utrecht af, en wisten zo’n twaalfduizend bezoekers te trekken op ‘The Final Exam.’ Het valt te betwijfelen of dit boek zou zijn geschreven als dat eerste feest niet zo’n doorslaand succes was geworden. Het was het begin van een van de meest spectaculaire hoofdstukken in de geschiedenis van de internationale dance. De opkomst van ID&T, anno 2003 al jaren de grootste party-organisator van Nederland: een bloeiend bedrijf dat niet alleen grote evenementen als Sensation, Innercity, Thunderdome, In Concert en Mystery Land organiseert, maar ook beschikt over een eigen nachtclub, strandtent, restaurant, platenmaatschappij, magazine en een eigen nationale radiozender. House In de weekenden ging Duncan met vrienden stappen, eerst vanaf zijn veertiende in de lokale kroeg in Landsmeer, de Robinson, later met de hele groep naar een discotheek in het nabij gelegen Volendam, de Movies. ‘Een plattelandsdisco eigenlijk, met top 40-muziek. Daarna gingen we dan meestal nog naar het Leidseplein of Rembrandtplein. Er werd altijd veel gedronken en gelachen, en af en toe geknokt. Ik kan me nu niet eens meer voorstellen waarom je zoiets doet. Dan gingen we naar Noordwijk of Egmond, kregen we weer ruzie. Op het eind van de avond wíst je gewoon dat er stennis kwam.’ De house-rage was inmiddels in alle hevigheid losgebarsten in Amsterdam en omgeving. Natuurlijk wilde ook de Landsmeerse club wel eens een kijkje nemen in de Roxy. Irfan ging soms mee met een meisje dat hij kende (‘Als je met een meisje was, werd je makkelijker toegelaten.’), maar Duncan kwam er niet in: ‘Ik was te jong, of mijn kop stond de portiers niet aan. Ben drie, vier keer geweigerd. Nou, dan houdt het op. We hadden de Roxy ook niet nodig, want we hadden de iT.’ Het waren de hoogtijdagen van de iT – de Amsterdamse concurrent van de Roxy – in de tijd dat dj Marcello achter de draaitafels stond. Duncan: ‘Daar is voor mij echt de house begonnen. ‘‘Burning’’, dat soort platen. We waren met een groepje van zes. Manfred Langer van de iT vond een van mijn vrienden, een heel knappe jongen, wel leuk. Die stond met ontbloot bovenlijf helemaal wild te dansen in zo’n kooi. Manfred vond ons wel een grappig groepje en gaf ons allemaal zo’n felbegeerde roze pas. Met zo’n pas was je helemaal de man.’ Het clubleven in de vroege jaren negentig stond helemaal in het teken van de nieuwe partydrug XTC, die bepalend was voor de vriendelijke, uitgelaten en feestelijke sfeer in die periode. XTC maakte je los en vrij, en gaf je energie om een hele nacht te dansen. Tegenstanders van de nieuwe muziek beweerden graag dat zulke non-muziek ook alleen maar gewaardeerd kon worden door een publiek dat onder invloed van XTC was. Zelf heeft hij in die tijd nooit een pilletje geslikt, zegt Duncan nu: ‘Het was alleen drinken. Toch vond ik de muziek wel helemaal te gek. Er waren eigenlijk nog maar weinig house-cd’s, maar Marcello had daar vijf cassettedecks staan. Zijn dj-mixen werden in de iT verkocht voor een geeltje per stuk. We kochten die iT-bandjes, die we daarna thuis weer voor elkaar kopieerden.’ House was jong en nieuw, en introduceerde in die jaren niet alleen een nieuwe muziekstijl, maar ook een compleet andere manier van uitgaan. Duncan: ‘Met het vechten was het opeens helemaal afgelopen toen de house kwam. Sindsdien heb ik nooit meer een ruzie of vechtpartij meegemaakt. In die boerendisco’s hadden we om de week ruzie. In discotheken als de iT of op een van de andere feesten nooit. Je mindset bij dance en house is toch heel anders. Je gaat met een positief gevoel uit. De kroeg was meer: zuipen, we zien wel. Tien jongens op pad. Dan komt er nog een ploeg van tien jongens en dan krijg je dat haantjesgedrag.’ De bezoekers van de iT waren ook compleet anders dan wat hij tot dat moment gewend was. Hier kwam een gemêleerd publiek van alle leeftijden. ‘Echt alles door elkaar. Jong, oud, van beroemdheden als Marco van Basten tot van die Thaise ombouwers – die zijn me altijd bijgebleven. Wij dansen met ze: ‘‘Lekker wijf, haha.’’ ’ Pas een paar jaar later, op het moment dat Thaise transsexuelen in het nieuws kwamen, realiseerden ze zich hun ‘vergissing’: ‘O shit, het waren helemaal geen vrouwen, maar ombouwers.’ Eigen bedrijf Een jaar lang heeft hij alleen maar gefeest, zegt Duncan nu. Vier nachten per week, op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag. Van school kwam nog maar weinig terecht. ‘Het Atheneum heb ik ook niet meer afgemaakt. Ik kon mezelf er niet toe zetten om te leren, vond ’t niet interessant genoeg.’ Ook volwassenenonderwijs, dat hij daarna nog even probeerde, werd geen succes, want hij was inmiddels aan het freelancen. ‘Drie dagen in de week, voor Wehkamp pakketjes rondrijden, Select Vracht. Autorijden heb ik altijd leuk gevonden. In zes VWO had ik als eerste van de klas mijn rijbewijs – binnen drie weken nadat ik achttien was geworden. En als eerste een auto, een witte Mazda 323. Meteen daarna ben ik gaan koerieren. Pieper gekocht. Als snel verdiende ik ruim tweeduizend netto in de maand, plus af en toe wat extra’s van mijn ouders, dus ik had genoeg. Maar dat ging weer linea recta naar de iT, het uitgaan.’ Tot het moment dat vader Stutterheim vond dat het zo langzamerhand wel genoeg was geweest met dat eindeloze party-leventje. ‘Op een dag zei mijn vader: ‘‘Wat dacht je ervan?’’ Hij vond dat ik nou maar eens echt aan de slag moest gaan.’ Zoon Stutterheim had zijn antwoord al klaar. Hij zou wel een koeriersbedrijf willen opzetten. Een eigen bedrijf beginnen was eigenlijk heel vanzelfsprekend, zegt hij nu: ‘Mijn vader (Cor Stutterheim, oprichter van softwarebedrijf CMG) is zakenman. Echt selfmade. Met niets begonnen en nu miljonair. De gesprekken thuis gingen vaak over zaken. Dat vond ik leuk, het boeide me. Ik was vanaf mijn achtste geïnteresseerd in rekenen en op mijn veertiende wist ik dat ik later wilde gaan ondernemen. Ik had in de derde klas een leraar geschiedenis, de heer Siemerink. Toen ik weer eens vervelend was, zei hij zoiets van: ‘‘Wat moet er toch van jou terechtkomen?’’ Waarop ik spontaan antwoordde: ‘‘Ik begin een eigen bedrijf. Maakt me niet uit wat, ook al is het een pleeborstelfabriek.’’ ’ Pleeborstels werden het niet, al was hij op school al wel met handel bezig: ‘Ik verkocht vuurwerk, later nepkleding – alles van nep-Nike tot nep-Australian – en ook ‘fietsen op bestelling’. Daar ben ik een keer voor gepakt, omdat de persoon aan wie ik de fiets verkocht zonodig door het dorp moest rijden. Niet zo slim.’ Maar in 1990, op zijn negentiende, begon dan het echte werk. Een eigen koeriersbedrijfje: ‘Bestelwagentje gekocht, een Rover Maestro Combi. Daar heb ik achteraf nog spijt van, dat ding reed voor geen meter. Maar ja, hij was wel goedkoop. Ik ben in mijn eentje begonnen en heb me aangeboden aan andere koeriersbedrijven. Na een jaar kon ik al iemand aannemen.’ Hoofdstuk 3 Roxy en iT De twee belangrijkste Amsterdamse clubs die begin jaren negentig ieder op hun eigen manier house hielpen groot maken, waren de Roxy aan de Singel en – een paar honderd meter verderop – de iT in de Amstelstraat. De Roxy opende zijn deuren in 1987, een jaar voor de house-explosie, maar werd vanaf september 1988 met dj’s als Eddy de Clercq en Joost van Bellen het eerste centrum van de opbloeiende house-scene en de plek waar talloze latere dj’s, producers en party-organisatoren hun house-doop beleefden. House was heftiger dan alle dansmuziek die eraan vooraf was gegaan. Voortbouwend op de disco-traditie was de nieuwe muziek midden jaren tachtig ontstaan in zwarte (gay-)discotheken in Amerikaanse steden als New York en Chicago. In clubs als The Warehouse (Chicago), waar Frankie Knuckles draaide, en waar de nieuwe stijl door het eigen publiek voor het eerst werd aangeduid als ‘house music’ – muziek zoals die in The Warehouse werd gedraaid. De extravagante, uitbundige gay-sfeer (‘let yourself go’, ‘release yourself’) van de vroegste house-platen werd in Nederland nergens zo goed begrepen als in de Roxy en de iT, twee bolwerken van de Amsterdamse gay-scene. De Roxy was stijlvoller en intiemer, maar de iT wist onder de bezielende leiding van Manfred Langer house bij een nog veel groter publiek populair te maken. House breekt in twee stukken Na de eerste house-explosie van 1988 begon de jonge house-scene aan het begin van de jaren negentig langzaam maar zeker uit haar voegen te barsten. De nieuwe muziek was inmiddels zo populair en wijdverbreid dat de echte houseclubs elk weekend vol zaten, en een steeds groter aantal bezoekers aan de deur geweigerd moest worden. Vooral de Roxy paste inmiddels een streng deurbeleid toe. Zeker vanaf het moment dat een nieuw, jonger publiek het nachtenlang dansen op de psychedelische acid house ontdekte. De altijd wat elitaire club aan de Singel moest niets hebben van het (langharige) publiek van ‘voetbalsupporters’, dat zich met ontbloot bovenlijf in het zweet danste. De heftig knallende acid house kreeg de schuld, en werd officieel ten grave gedragen tijdens de Acid Graveyard in het voorjaar van 1989 – in de hoop dat het ‘foute’ publiek voortaan weg zou blijven. Dat bleef het uiteindelijk ook, want het nam het heft in eigen hand, en begon zelf feesten te geven. Met eigen dj’s als Dano, Buzz Fuzz, Gizmo en The Prophet en een eigen, harde, industriële techno-sound, die later zou uitgroeien tot ‘Dutch hardcore’. Het jonge Amsterdamse Go Bang!-label zette al in 1990 de toon met tracks als ‘Technotrance’ (D-Shake) en ‘Seven Stars’ (Quazar), die beiden grote underground-hits werden. Maar al snel volgden vele anderen, uit Rotterdam Speedy J. en Human Resource, uit Amsterdam producers als Orlando Voorn en Fierce Ruling Diva, die later een serie eigen clubs runden zoals de (illegale) afterparty-hang-out Das Boot. De house-scene was toen al in twee stukken uiteengevallen, zoals ook werd weerspiegeld in de stijlnamen: mellow voor de clubhouse tegenover hardcore voor de harde techno. De iT is nooit helemaal hersteld van het overlijden van Manfred Langer in november 1994. De Roxy brandde in juni 1999 af. Iets van de sfeer van de eerste house-jaren in de Roxy vind je nog terug tijdens het jaarlijkse Oud Hollandsch Acid Feest in Paradiso, Amsterdam. Hoofdstuk 4 Illegale party’s In de tijd dat Duncan en zijn vrienden elk weekend in de iT zaten, begonnen ook de eerste illegale feesten in loodsen en op industrieterreinen in en om Amsterdam. ‘Die vond ik eigenlijk veel stoerder dan de iT,’ zegt Duncan nu: ‘De Beatclub, Luna, Multigroove, Mayhem. We gingen er altijd heen in die koeriersbak van me. Ik was een van de weinigen met een auto. Het was nog een kleine scene. Je herkende elkaars auto. Mijn Rover Combi was helemaal herkenbaar. Met een grote installatie en acht man achter in de bak scheurden we al die feesten af. Die illegale party’s in Hoofddorp en op de Borneokade waren donker, ruig. Niks garderobe of toiletten. Op de Borneokade was er zelfs geen stroom. Had iemand die er naast woonde de elektriciteit met een bijl doorgehakt, omdat hij die herrie niet aan zijn kop wilde. Maar Hugo, die met zijn laserbedrijf altijd op die party’s stond, wist nog wel ergens een aggregaat staan – die moest van de bouw worden gehaald. Stonden we daar met zeven, achthonderd man twee uur te wachten, met muziek uit de auto’s op de parkeerplaats. Toen Hugo dan eindelijk met die aggregaat kwam aangereden, werd er gejuicht: we hadden stroom, we hadden feest. Ik ben ook nog naar de Ahoy geweest, in januari 1991. Dat feest van dj Per met de Beatclub en een optreden van Snap! Ik denk dat dat een van de eerste echt grote party’s is geweest. Ver zijn tijd vooruit in ieder geval. Dat heeft veel indruk op me gemaakt. Toen is voor mij voor het eerst het idee gaan branden: wow, dit is gaaf zeg! Dat je bij de Ahoy aankomt, en die deur voelt trillen... Na afloop hebben we in de auto geslapen met z’n vieren. Want we gingen er wel met de auto heen, maar daarna was het zuipen, dus reden we maar niet meer terug. Dat soort dingen deden we altijd met een groep van vier tot acht jongens. Ik had al een vaste vriendin, maar verder waren we eigenlijk nooit met vrouwen bezig. Het draaide om muziek, drank, lachen en om de goeie installatie in de auto. Wat je later in die gabbertijd ook zag, al die jongens die op parkeerterreinen stonden met hun muziek keihard aan, slapen in de auto – dat deden wij ook.’ Mayhem Irfan: ‘Eerst vond ik hip hop helemaal te gek. Ik ben in ’87 nog naar Public Enemy en LL Cool J en daarna ook naar Run DMC en The Beastie Boys in de Edenhal geweest. We gingen altijd stappen in de Robinson in Landsmeer. En later ook wel eens naar de Roxy in Amsterdam, in de tijd van acid en hip house – jongens als Tyree en Fast Eddie. Maar toen nodigde iemand ons een keer uit voor een houseparty. Mijn eerste feest was Mayhem, op de Grasweg in Noord, die grote oude loods.’ Eric: ‘Het stroomde van de regen, de gaten zaten in het dak, er lagen zandheuvels en er liep een rails waarop ze die boten naar binnen sleepten.’ Irfan: ‘Maar er was echt een sfeer van vrienden onder elkaar. En keiharde herrie: de muziek was helemaal top. Ik bleef daar tot een uur of zeven, acht. En dat allemaal zonder pillen of andere drugs, alleen maar blowen en bier. Eindeloze energie toen natuurlijk. Gewoon doorknallen en gaan. Kwam ik thuis, kom ik mijn vader op de trap tegen. Ik zeg: ‘‘Pa, ik heb nou toch wat meegemaakt. Een nieuw fenomeen, bij jou om de hoek.’’ Want mijn vader’s bedrijf zat een paar panden verder op de Grasweg. Hij zegt: ‘‘Ja, wat dan?’’ Ik uitleggen: ‘‘In die loods, een feest. Twee barretjes, een dj, twee boxen en drie knipperende lampen. Echt helemaal te gek. Dat wil ik ook.’’ Dus een week later weer naar zo’n feest. Hoofddorp. Met Joey Beltram in een gekraakte loods. (Eric: ‘Een spiksplinternieuwe gekraakte loods’.) Daarna was het elke week ergens anders feest. In de catacomben van het Olympisch Stadion stond dj André helemaal groen geschminkt achter de draaitafels. Ik kende zijn vriendinnetje, Caroline, die had bij mij op school gezeten. Dus ik met Caroline mee, kwam ik in zo’n achterkamertje terecht. Echt van die ‘‘Scarface’’-praktijken. Coke op tafel, grote witte vlek onder zijn neus. Gekkenhuis. Ik dacht: ‘‘Wat gebeurt hier?’’ ’ Dj Dano, de latere ‘gabberkoning’, draaide ook regelmatig op Mayhem-feesten: ‘De twee organisatoren, André en Neuv, waren altijd helemaal van de wereld. Dan stond ik achter de draaitafels, kwam Neuv naar me toe: ‘‘Wil je een nippie?’’ Buig ik me even naar voren en op het moment dat ik weer omhoogkom, staat Neuv zelf achter de draaitafels Turbo Henkie te spelen.’ Irfan: ‘André was toen achter elkaar bezig met feesten geven. En steeds ook de boel aan het tillen. Niemand betalen en met de kas onder zijn arm ervandoor. Vlak daarna begonnen de feesten van Henk en Ilja, Multigroove. Ruige boys allemaal.’ Hoofdstuk 5 The Final Exam Jaarbeurs, Utrecht Nog nagloeiend van het Oud en Nieuw-feest in Omshanti werden er meteen plannen gemaakt voor een volgend evenement. ’s Avonds op zolder bij Theo Lelie die in het, nu gekraakte, Omshanti was blijven zitten. Dit keer zouden ze het echt groot aanpakken, dat stond al vast. Irfan had in de eerste weken van 1992 besloten om voor zichzelf te beginnen: ‘Ik was nogal goed gebekt met verkopen, had advertenties verkocht voor de ViaVia, dus zoiets leek me wel wat. Toen hadden Dunc en ik een keer een gesprek. Hij wilde niet meer vanuit het huis van zijn ouders werken, maar voor zijn koeriersbedrijf een eigen kantoortje opzetten. Zoiets had ik zelf ook nodig. Dus we spraken af dat ik voor hem klanten zou gaan winnen en tussendoor nog wat ritjes voor hem zou rijden. Pakketjes scheuren. Paar meubels gekocht bij de Ikea, had ik een eigen bedrijfje.’ Het eigen kantoortje, een paar kleine hokken op een industrieterrein in Wormerveer, zou in de jaren daarop niet alleen Dunc’s koeriersbedrijf huisvesten, maar werd ook de plek vanwaaruit alles voor het volgende feest werd geregeld. Als iemand die gewend was om telefonisch zaken te doen, was Irfan ook de aangewezen persoon om te gaan bellen op zoek naar een lokatie voor het volgende feest. Dat viel nog niet mee. ‘Van alles geprobeerd, Sporthal de Pijp, Apollohal, maar daar zat al iemand. Weer een andere hal wilde niet meer. Begin ’92 was het al redelijk vertieft met die hallen. Ze klaagden over te veel herrie, moeilijkheden. Maar het jaar daarvoor had ik gewerkt bij het computerbedrijf van Luc en Vincent Sala, Sala Communications. Daar had ik iemand leren kennen met goede contacten bij de Jaarbeurs in Utrecht. Een collega van me had daar de PC-contactdagen georganiseerd. En ik had ook een contact bij de RAI, omdat een andere collega daar de PC-dumpdag organiseerde. Op een gegeven moment hadden we opeens zicht op twee lokaties. De RAI en Jaarbeurs zeiden allebei: ‘‘Oké.’’ ’ Het werd de Jaarbeurs. Die was niet alleen goedkoper, maar lag ook mooi centraal. Pal tegenover het Centraal Station van Utrecht, waar alle nachttreinen uitkwamen. Ook niet onbelangrijk: Utrecht was neutraal terrein. Irfan: ‘Toen speelde op feesten al een beetje dat Ajax-Feyenoord-gedoe. Dus als we het feest in de RAI in Amsterdam zouden houden, zouden we het publiek uit Den Haag en Rotterdam missen. Dat kwam dan niet.’ Hoe groot de tegenstelling Rotterdam-Amsterdam op dat moment was, bleek nog eens toen ze later flyerden voor The Final Exam in Parkzicht in Rotterdam, en het publiek ‘joden, joden’ begon te roepen. Hoe werden de Amsterdammers dan zo makkelijk herkend? Het lekker vette accent van de ID&T-ers zal ongetwijfeld een factor zijn geweest. Maar ook in een luidruchtige club waren ze van afstand te herkennen. Eric: ‘Met uitzondering van Duncan en Irfan hadden de Amsterdammers allemaal lang haar. In Rotterdam hadden ze zo’n matje. Alleen lang van achteren.’ Irfan, Duncan en Theo De Jaarbeurs was rond, behalve dan dat er nu wel geld op tafel zou moeten komen. Irfan: ‘Uiteindelijk kwam de vraag: ‘‘Wie doet er mee? We moeten vijftien- tot twintigduizend gulden de man investeren.’’ Toen haakten er steeds meer mensen af.’ Ook Eric Keijer, die in zijn eindexamenjaar zat: ‘Ik was maar een arme student.’ Irfan, Duncan en Theo bleven over. De naam van de organisatie werd dus ID&T – de initialen van de drie organisatoren op volgorde van leeftijd. Duncan: ‘We hadden een bedrijfsplan, al stelde dat niet veel voor: een A4tje met kosten. Dit, dat en dat, gedeeld door aantal bezoekers die een geeltje betaalden. Dat was het.’ Irfan: ‘Daarna naar Schut en Grosheide, de advocaten van CMG, het bedrijf van Dunc’s vader, om te kijken of er een stichting met ideële doelstelling van te maken was – net als Extrema dat nu is, haha. Maar uiteindelijk werd het een VOF.’ Duncan: ‘Ons eerste businessplannetje ging uit van zesduizend bezoekers en vijfentwintig gulden entree. Daarna werd het allemaal nog iets groter, en zouden we bij zevenduizend bezoekers quitte spelen.’ Eerst hadden ze nog geprobeerd geld te lenen bij de bank. Maar daar werd ze vriendelijk doch dringend verzocht met een ander bedrijfsplan te komen, want het was ‘niet de policy van de Rabobank om in evenementen te investeren.’ Irfan: ‘Van mijn spaargeld had ik juist een auto gekocht, een zwarte Civic. Ik woonde nog thuis en had goed verdiend bij ViaVia en dat computerbedrijf. Dus ik had in drie, vier maanden een auto van vijfentwintig ruggen bij elkaar. Die gaf ik als onderpand voor het geld dat ik leende van mijn vader. Want bij mij thuis ging niks for free. Die ouwe heeft me altijd geleerd: als je wat wilt, dan moet er wat voor terugkomen.’ Final Exam Er was een lokatie, het programma was rond. Een vette line-up, vindt Irfan nog altijd. ‘We hadden er echt een lijn in gebracht. Dus die Amsterdamse jongens, de harde dj’s als Dano en Buzz Fuzz, op het eind. En beginnen met Robin Albers en daarna Per.’ Het feest zou The Final Exam gaan heten. Daar zat een idee achter. Ze wilden er het grootste nationale eindexamenfeest van maken. Daarom was het feest precies zo gepland dat het na alle eindexamens viel – op zaterdag 20 juni 1992. Met zo’n thema dachten ze misschien ook wat gemeentelijke diensten te kunnen paaien, en de scholen te interesseren. Van iemand bij Sala Communications, dat beschikte over een groot adressenbestand, had Irfan een lijst van twaalfhonderd scholen meegekregen.’ Die werden allemaal aangeschreven, zegt Irfan, ‘met een heel lullig briefje eigenlijk: ‘‘Hoi wij zijn Irfan, Duncan en Theo. Ook wij hebben onze school achter ons gelaten, vorig jaar al. Het is geen liefdadigheid, wel semi-commercieel, maar ons feest heeft wel tot doel alle scholieren uit te nodigen...’’ en of die scholen en schoolraden dan alsjeblieft wilden meewerken, want het was leuk, blabla. Een postertje in de aula was genoeg, meer vroegen we niet.’ De respons liet niet lang op zich wachten, al was die niet helemaal wat ze verwacht hadden. ‘Kregen we brieven terug, gecorrigeerd door de decaan. Met rode stift de spelfouten verbeterd.’ Inclusief een begeleidend schrijven, dat zich op verontwaardigde toon afvroeg: ‘Hoe kunnen we nou vertrouwen hebben in een organisatie, die niet eens fatsoenlijk een brief kan opstellen?’ Sprinkhanenplaag Die briefactie naar de scholen was nog maar het begin. Irfan: ‘We hingen posters achter op autoramen, in snackbars, videotheken, overal waar we kwamen. Dan ging je er over lullen, was je er vol van, ging je ze meetrekken. En dat lukte gewoon goed.’ Het ontwerp van de poster en flyer, alweer met ‘The Wizard’ kwam opnieuw uit de pen van Eric Keijer, die op zijn school, de MDS, voor elkaar had gekregen dat het meteen ook de examenopdracht was voor zijn vak reclametekenen. ‘Na het feest vroeg de leraar hoe het was gegaan. Nou ik zeg, top. Er kwamen vijftienduizend man, en de T-shirts waren in een paar uur uitverkocht. Kreeg ik er een 9,5 voor.’ Het promotieteam maakte inmiddels overuren. Irfan: ‘We waren er echt vijftien uur per dag mee bezig. Ook al met mobiele telefoons. Dunc had zo’n Panasonic, zo’n hele kist met draadantenne en zo’n vette batterij, die op tafel lag.’ Omdat ze met Duncan’s koeriersbedrijf toch al het hele land rondreden, konden ze meteen even die steden meepakken en flyers naar de winkels brengen. ‘Overdag ging je in Amsterdam de Kalverstraat in. Elke winkel, links en rechts, ‘‘Hé hallo, we geven een feessie, gezellig, wil je ook komen, kunnen we een kaartje voor je regelen, en zou je deze poster willen ophangen?’’ Dat deden we in elke stad. Purmerend, Zaandam, Hoorn, Alkmaar, Enkhuizen. Tot aan de hoeren op de Ruysdaelkade toe. Uiteindelijk hing het hele land vol.’ In Nieuwegein moesten ze een avond lang zitten, nadat ze door de politie waren gesnapt bij het volplakken van het complete busstation. Irfan: ‘We waren echt zo’n sprinkhanenplaag. Kwamen we met drie auto’s aan, hing het in vijf minuten helemaal vol. Vijftien van die bushokjes. Eén smeren, één voorrollen en één afplakken.’ Eric: ‘Dan stond iemand te bellen in een telefooncel. Kwamen wij met tien man aan, lijm, posters, plakten we ’m zo vol. Stond ie opeens in het donker: ‘‘Hé, what the fuck?!’’ ’ For Those Who Like To Groove Overdag kwamen ze bij scholen in de pauzes al even luidruchtig aangereden. ‘Dunc had altijd een mooie theorie,’ zegt Irfan: ‘Per klas heb je altijd één leider. Die bepaalt wat er cool is, wat er gaat gebeuren, die is overal altijd het eerste mee. Die moet je zien te vinden en een gratis kaart geven, helemaal de blits laten maken, en de rest volgt dan vanzelf.’ Op koopavonden reden ze – de muziek voluit – door de winkelstraten, terwijl ze flyers uit het dakraam van de auto gooiden. Zaterdagavond ging de hele club dan naar Hilversum, naar de studio van het enige dance-programma op de nationale radio, ‘For Those Who Like To Groove’ van Robin Albers. Irfan: ‘Bier onder de arm, een ons weed mee. Albers paaien, en hem helemaal stoned voeren. Die zei na twee uur helemaal wazig: ‘‘Nou, we gaan maar mixen, want er komt geen zinnig woord meer uit.’’ ’ Eric: ‘En daarna waren we op elk feest aan het flyeren, een hele groep van acht of tien man. Drie, vier feesten per avond deden we. T-shirts aan: ID&T presents.’ Cowboys De promotie liep als een trein, maar verder stuitte het jonge ID&T-team voortdurend op nieuwe obstakels. Alles bleek steeds meer te kosten. Irfan: ‘We hadden alleen gerekend op wat we bij elkaar moesten hebben voor de huur en de andere kosten. Maar dan kwam daar ineens een waarborgsom bij of een WA-verzekering van twee miljoen. Kwamen we bij Bo-Rent twee weken van tevoren. Wilden we van alles huren, een hoogwerker ook. Alles geregeld, maar dan was het opeens: ‘‘Zorgen jullie er dan wel voor dat jullie maandag bankgarantie van vijfentwintigduizend gulden hebben?’’ Dat hadden we niet, moesten we tienduizend gulden storten als waarborgsom. Dus dan was het weer: ‘‘Nou, pa, kan ik nog wat meer lenen?’’ Het vuur werd ons wel aan de schenen gelegd. Elke dag was het: wat nou weer? Omdat er in die tijd veel cowboys waren, kon je bij de voorverkoopadressen ook niet zomaar even het geld van de verkochte kaartjes ophalen. Maandag na het feest kon je langskomen, niet eerder.’ Eric: ‘Veel feesten werden geannuleerd, en dan kreeg zo’n winkel ’s maandags alle mensen aan de deur die hun geld terug wilden. Maar dat was dan al opgehaald door de organisatie.’ Irfan: ‘En dus steeds maar weer schakelen. Als we tegen een obstakel aankwamen: ‘‘Oké, wat kunnen doen? Boem, boem, boem.’’ Of het nou met handel was, of met dingen huren, vergunningen. Tik tik tik, oplossen en doen. Nadenken, lullen, nadenken, doen. In een uur bij wijze van spreken. En maar doorgaan.’ Motorgang In de week voor het feest werd wel duidelijk dat ze over het break-evenpunt heen zouden gaan. Er waren al zo’n achtenzeventighonderd kaartjes verkocht. Aan de deur kwamen er nog zo’n vijfduizend bij, al weet niemand hoeveel mensen er werkelijk binnen waren, omdat de portiers flink bleken te sjoemelen. Irfan: ‘We waren van tevoren gebeld door een kamper, Michael Butler. Hij uitleggen: je kan zo’n feest niet doen zonder security. We hadden zelf een mannetje of acht, die groot en sterk waren. Maar, zegt die gozer, dat kunnen ze nooit aan. Komt ie met een verhaal dat hij weet dat een motorgang voor de kassa wil gaan. We werden echt bang gemaakt.’ Duncan: ‘Maar we dachten wel dat het een goed idee was, dan konden die Utrechtse portiers de lastige bezoekers er zo uitpikken. Wisten wij veel. Kregen we allemaal kampers uit Utrecht aan de deur, die voor zeker een paar duizend gulden aan kaarten stolen. En de portiers hadden hun sokken vol met geld: ze namen de kaartjes in, en verkochten die vervolgens buiten weer. Ik had zelf nog wel een paar jongens meegenomen van de sportschool in Landsmeer, maar daar werd vriendelijk tegen gezegd: ‘‘Kop houden!’’ ’ Toch was The Final Exam zelf helemaal top, zeggen ze nu. Voor Dano, latere ster van het Dreamteam, was het een van zijn eerste grote feesten: ‘Ik stond te trillen achter de draaitafels, was doodnerveus door die grote massa voor me. Maar wel te gek.’ Niet dat er niet van alles en nog wat misging. Zo bleek pas op de avond zelf dat de noodverlichting in de grote zaal niet uit kon. Foutje van de Jaarbeurs. Eric: ‘Iedereen die binnenkwam meteen van: ‘‘Hé jongens, jullie zijn vergeten het licht uit te doen.’’ ’ Irfan: ‘En dan de mensen van de Jaarbeurs-horeca. Die hadden nog nooit een muziekevenement gedaan, en totaal niet gerekend op zo’n drankomzet. Om elf uur was de cola op, om halftwaalf de sinas en om twaalf uur waren de bierpompen leeg. Moesten er ’s nachts hele toeren worden uitgehaald met pompwagens. En door die hallen heen met kratten cola. Zonder security. Dan ging het natuurlijk: ‘‘Hé, bedankt hè?’’ Had weer iemand uit het publiek een fles weggepakt.’ ‘Of dan kwam er opeens iemand met de vraag of we geen eten te koop hadden. Duncan meteen: ‘‘Handel!’’ Da’s echt wat voor Dunc ook. Hij meteen: ‘‘Ga halen!’’ ‘‘Ja, waar dan, man?’’ Dus wij geld uit de kas mee en alle benzinestations in de buurt leeggekocht.’ Dagobert Duck Duncan: ‘De garderobe was ook een grote grap. We hadden iedereen in ons dorpje opgetrommeld: wil je even helpen? Ons totaal niet realiserend dat je opeens zevenduizend jassen moet weghangen. We hadden alleen knijpers met een bonnetje, alsof je je jas in de voetbalkantine ophangt. Zo hadden we het ook ingericht. Het paste allemaal niet, die knijpers vielen eraf. Mensen huilen, het werd een drama. Mijn moeder zat bij het toilet, mijn vader was boven in het kantoor geld aan het tellen. Echt schattig allemaal, als je er nu op terugkijkt. Na afloop moesten we van de Jaarbeurs een schoonmaakteam laten komen dat zevenduizend gulden zou kosten. Dat vonden we belachelijk, veel te duur. Zouden wij het zelf wel even doen.’ Eric: ‘Na het feest, ’s ochtends om zeven uur, gingen we met vijf man vegen. Irfan, Duncan, Miles, hun neef Yannis en ik. Hebben we die hele fucking hal schoongemaakt. Hekken en podiums weggehaald. Er reed een Turk rond in zo’n karretje. Die zat te kijken: ‘‘Wat zijn dat voor mafkezen? Dat zijn toch die jongens die hier gisterochtend al binnenkwamen?’’ ’ Irfan: ‘Miles kon niet meer op zijn benen staan. Die liep helemaal te zwalken.’ Duncan: ‘Om vijf uur ’s middags vielen we echt om, we hadden inmiddels zo’n veertig uur niet geslapen. Waren nog lang niet klaar natuurlijk, dus uiteindelijk hebben we alsnog een schoonmaakbedrijf moeten inhuren.’ En in de afterhours van het feest brak het jonge ID&T onverwacht snel in stukken. Duncan: ‘Theo, zei om acht uur al: ‘‘Nou, ik ga niet opruimen.’’ Op dat moment hield hij het eigenlijk al voor gezien.’ Irfan: ‘Toen was het voor ons ook in een keer over.’ Bij het volgende ID&T-feest was Theo Lelie niet meer van de partij. Zo ongeveer alles wat mis kon gaan, was ook misgegaan, maar toch kregen ze naderhand eigenlijk alleen maar goede reacties. Irfan: ‘Iedereen vond het een goed feest, ook de dj’s. En dat het zo chaotisch verliep, viel de meeste mensen nog niet eens zo op, zegt Eric: ‘Al die feesten in die tijd waren een puinhoop.’ Duncan: ‘We kwamen die zondagmiddag thuis met een berg contanten. Er lag ineens honderdduizend gulden cash op tafel – als een soort Dagobert Duck konden we zwemmen in het geld. Iemand van twintig wordt dan helemaal gek.’

Nu op 3voor12