Het allereerste album van Nick en de Doorsnee is pas een halve dag te beluisteren - tóch zingt een honderdkoppig publiek al dezelfde woensdagavond, bij de presentatie in Hall of Fame, de teksten mee.

De songschrijvende 20-something Nick Pilmeyer uit Tilburg lijkt vanavond echt zijn onderbuik te volgen -  zoals bij de start, waar hij met het heftig psychedelisch rockende ‘Ik Snap Je Een Beetje’ direct de zaal het zwijgen oplegt. Knap, gezien door-shows-heen-lullen een oer-Hollandse traditie is. Nick laat in zijn teksten nergens gras over groeien; de plaat gaat over een vriend die stierf ‘omdat hij niet meer verder kon leven’. (‘Maar na al die jaren / Ik snap je een beetje’.) We leren ook: de allereerste Nick en de Doorsnee is een plaat zonder overheersende rode draad, want direct daarna bespelen Nick en de zijnen sans gêne de dansvloer met hakketakgitaartjes, blazers uit een doosje, en het niet mis te verstane mantra: ‘Tom, zit nou niet te mauwen jongen / Kom naar de dansvloer / En dans’. Wanneer alle mondhoeken weer omhoog gericht staan, vertelt Nick er ook anekdotes bij, de ene keer geestig, dan weer ontwapenend, een enkele keer nergens heen leidend. Ook daar geen problemen: met zijn honderd procent gemeende openheid komt hij overal mee weg.

De begeleidingsgroep die Nick mee heeft, doet z’n Nederpop allesbehalve 'doorsnee' klinken. De songs zitten volgestouwd met kleine details: we horen funkbassen ('Machteloos'), overstuurde speelgoedorgeltjes ('Gratis En Voor Niets') en gitaarsymfonieën met knap over elkaar gedrapeerde klanken ('Zwaan'). Op het podium staan zeven man: de charismatische Nick zelf, een toetsenist, een gitarist, een basgitarist, een drummer én twee allerleukst dansende zangeressen; samen geeft dat muziek die ademt, swingt en lééft.

Aan de andere kant van het spectrum treffen we ‘De Lange Koetsier’; een door ijlkoorts opgezweepte Nick neemt ons mee naar de periferie van de dansvloer, waar alles wat gevaarlijker en absurder wordt. Ook met schimmige figuren en vervormde beats is het goed dansen, zo blijkt. Voor de manier waarop ‘De Lange Koetsier’ halverwege in een duivelse stoomtrein verandert, bestaat maar één woord: verpletterend. De song eindigt met een soort opgedroogde oerkreet, rechtstreeks uit de onderwereld. Voor het applaus losbarst is de Hall even stil.
‘Zo! Even rustig. Man!' puft een langzaam weer bij bewustzijn komende Nick, het zweet uit de oogjes wrijvend. (Nick heeft ‘geen wenkbrauwen’ om z’n huidvocht mee op te vangen, zegt-ie.)

Na een flinke teug uit zijn pilsje is het weer van dattum: 'Ik zit te balen op m'n kamer / Het wordt 'n beetje oud’. Droeve ontboezemingen uit jongensdagboeken, gemarineerd in stevige, gespierde rock. Het aanzwellende 'Je Weet Niet Wat Je Mist' is opgebouwd uit hetzelfde knip-en-plak-principe. Nick constateert vol overtuiging: 'Lach maar in de spiegel / Dan lacht de spiegel terug’. Hij meent het écht, dat voelen we; Nick slaagt er in om combinaties van woorden die er op papier tamelijk lullig uitzien betekenisvol te laten klinken wanneer hij ze zingt.

Ook altijd goed: de momenten dat Nick zowat bij zijn bandleden op schoot wil kruipen, puur uit plezier. Op die momenten is-ie echt een jongetje, op een speelmiddag die nooit zal eindigen. Wij kunnen alleen maar hopen dat Nick nog lang niet is uitgespeeld. Schrijf dát maar in je dagboek.