Hotelgast Tim Knol leeft passie voor Amerikaanse muziek uit

Rijzende Excelsior-ster geeft ontspannen en humoristisch concert

Wouter de Waal ,

Vooraf vertelde hij interviewer Leon Verdonschot nog steeds gespannen te zijn voor ieder optreden, maar tijdens zijn akoestische set afgelopen zaterdag als Hotelgast in De NWE Vorst maakte hij toch eerder een kalme en opgewekte indruk. Het resulteerde in een aangenaam losse performance waarin plezier boven perfectie stond.

Rijzende Excelsior-ster geeft ontspannen en humoristisch concert

INTERVIEW
Zoals gebruikelijk bij Hotelgasten begint de avond met een interview door journalist Leon Verdonschot, waarin Knol aan de hand van filmfragmenten en instrumenten een beeld schetst van zijn muzikale ontwikkelingsgang. Nu is dat voor iemand van eenentwintig jaar natuurlijk nog allerminst een afgerond proces, maar zoals inmiddels wijd en zijd bekend is, heeft hij daarbij wel al van zeer jongs af aan steun gehad van de platenkast van zijn vader.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat vanavond beelden voorbijkomen uit Scorseses beroemde film ‘The Last Waltz’, de registratie van het afscheidsconcert in 1976 van The Band (‘de beste band’, aldus onze Hotelgast) en al evenmin dat Knol zich groot fan betoont van rasperformer Otis Redding. Zijn fascinatie voor het muzikale verleden heeft tijdens zijn tienerjaren wel gezorgd voor een gevoel van vervreemding op het door 50 Cent en Shaggy gedomineerde schoolplein.

Die situatie komt grappig genoeg aardig overeen met die van de fictieve bejaarde Duitse accordeonspeler Schultze, die opduikt in een ander door Knol geselecteerd fragment. Hij is de centrale figuur in de tragikomische rolprent ‘Schultze Gets The Blues’ en wordt ook niet begrepen door zijn – enkel van lokale volksmuziek gecharmeerde – omgeving als hij zich opeens ontpopt tot groot liefhebber van Cajun/Zydeco.

Wie weet heeft Schultze het virus ook op Knol overgebracht, want die blijkt sinds kort in de weer met een viool om deze muziekstijl(en) onder de knie te krijgen. Met volhardend oefenen op het muziekinstrument toont hij zich voor het eerst in zijn leven een echte doorzetter, aldus Knol. Liedjes schrijven, zingen en tokkelen (toen hij klein was op de ukelele, nu op de gitaar) gaat hem namelijk relatief eenvoudig af en met studeren heeft hij zich nooit veel beziggehouden.

Het beeld dat daarmee uit het interview oprijst, is dat van een tamelijk eigengereide jongeman die gewoon doet wat hem het beste ligt en nauwelijks tijd en moeite verspilt aan zaken die hem niet interesseren. Dat je het daarmee behoorlijk ver kunt schoppen, blijkt onder andere wel uit het eerst getoonde fragment, waarin hij ‘Rode Wijn’ van Bram Vermeulen uitvoert tijdens een show van Freek de Jonge, en uit zijn solocarrière tot nu toe natuurlijk.

CONCERT
Het gaat Tim Knol immers voor de wind: zo meldt hij de afgelopen periode honderden keren op te hebben getreden en daarbij komt na zijn vorig jaar verschenen debuutalbum volgende maand alweer een tweede schijf van zijn hand. Hij lijkt zich dan ook behoorlijk op zijn gemak te voelen op het podium en met een inleidende opmerking over een gevonden fietssleuteltje zorgt hij meteen voor een informele sfeer. In een dergelijke setting is het vanzelfsprekend niet zo erg als er hier en daar iets scheef gaat en daar maakt onze performer vanavond gretig gebruik van.

Vakkundig gesteund door toetsenist (alsook manager en collega-liedschrijver) Matthijs “Duijf” van Duijvenbode, geeft Knol een grotendeels ‘geïmproviseerd’ concert, waarbij na de meeste stukken even overlegd wordt wat men daarna gaat spelen. Verzoekjes uit het publiek zijn daarbij welkom en het blijkt al snel dat men in ieder geval op de voorste rij prima op de hoogte is van het nog te verschijnen repertoire.

Dat is op zich natuurlijk heel fijn, maar blijkbaar is Knols gitaar er nogal ontstemd over, zozeer zelfs dat zijn in de zaal aanwezige vader er op een gegeven moment nog aan te pas moet komen om de snaarverhoudingen te verbeteren. Wellicht bij wijze van wraak vraagt hij zijn zoon bij de toegift ‘Loretta’ van Townes Van Zandt te spelen, waarvan Knol junior de tekst maar deels kent. Het geeft hem overigens wel mooi gelegenheid een nummer zonder gitaarbegeleiding te zingen, hetgeen hem prima afgaat.

Weliswaar verloopt het concert zoals gezegd niet bepaald vlekkeloos, maar dat komt de pret eigenlijk alleen maar ten goede en wordt door Knol middels relativerende grappige opmerkingen nog verder uitgebuit (bij de wankele uitgesponnen versie van zijn hitje ‘Sam’ merkt hij op het refrein “nog zo’n veertig keer” te zullen herhalen; middenin het nummer). Het illustreert de groei die Knol de afgelopen tijd als podiumpersoonlijkheid heeft doorgemaakt en het geeft al met al goede hoop dat er na de tweede plaat nog vele zullen volgen.