Waar Moke is, is geen vuur

Rigby hangt aan elkaar van de poprockclichés

Robin Geurts ,

In een uitverkochte Kleine Zaal wist Moke er geen inspirerende donderdagavond van te maken. De band kweet zich professioneel van haar taak, maar daar is alles mee gezegd. De jonge band Rigby warmde als voorprogramma het publiek op met veel enthousiasme, maar was muzikaal nog minder boeiend dan Moke.

Rigby hangt aan elkaar van de poprockclichés

In een uitverkochte Kleine Zaal wist Moke er geen inspirerende donderdagavond van te maken. De band kweet zich professioneel van haar taak, maar daar is alles mee gezegd. De jonge band Rigby warmde als voorprogramma het publiek op met veel enthousiasme, maar was muzikaal nog minder boeiend dan Moke.

RIGBY
“Yowza!” is de kreet waarmee Rigby deze recensent lijkt te begroeten. De zeskoppige band slooft zich op het podium van de Kleine Zaal uit voor een niet geheel geïnteresseerd publiek. Vol enthousiasme probeert de band te overtuigen, maar daar heeft ze domweg het materiaal niet voor. De nogal flauwe single Show Me The Way hangt aan elkaar van de poprockclichés en dat geldt eigenlijk voor het hele repertoire. De bandleden staan er zelf ook nogal flets bij en kunnen de wetenschap dat ze nog geen twee jaar bij elkaar zijn niet doen vergeten.

Wat de band wel siert, is dat ze duidelijk haar rol als voorprogramma omarmt. Op ieder mogelijk moment herinnert frontman Christon Kloosterboer het publiek eraan dat Rigby hier is om mensen warm te maken voor Moke. Dat valt in de smaak, net als een cover van Michael Jackson's Human Nature. Deze wordt wel met nogal veel pathos gebracht en eindigt met een tergend lange uithaal van Kloosterboer. Rigby sluit af met een nummer dat is gebombardeerd tot 3FM Serious Request Anthem voor dit jaar, waardoor je er eigenlijk niet meer kritisch over mag zijn, en het titelnummer van album Everything Must Go. Vlak voor dat nummer begint, krijgt Rigby nog steeds weinig respons op de vraag “Is iedereen al klaar voor Moke?” Het zegt meer over Rigby dan over het hoofdprogramma.


MOKE
Het leuke aan een band als Moke is dat ze inmiddels volledig recensie-proof is. Haar publiek komt waarschijnlijk uit een hele andere hoek dan die waar de 3VOOR12-lezers zitten. Dat betekent dat je als recensent kunt prijsschieten. Want Moke brengt, eerlijk is eerlijk, het ultieme voorbeeld van 'grootste gemene deler-muziek': van begin tot eind gekopieerd van andere rocksuccessen om maar zoveel mogelijk mensen aan te trekken.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Moke vanaf het eerste moment beter klinkt dan Rigby: strakker en met een voller geluid. Het bombastische intro klinkt als een klok, ook al komen de violen uit de synthesizer. Wel valt snel op dat de band nogal ingehouden speelt: het openingsnummer hoort zo, maar de hit Last Chance gaat nogal traag voorbij. Moke wisselt verder netjes nummers van het eerste album af met nieuwe nummers van The Long And Dangerous Sea. De vergelijking valt uit in het nadeel van de songs op dat laatste album: waar de hits van debuut Shorland nog steeds krachtig en urgent klinken, valt er in de nieuwe nummers nauwelijks een spanningsboog te ontwaren. De riffs en synths zijn veel flauwer en vlakker; de creatieve noodzaak om überhaupt een nieuw album op te nemen ontgaat me.

Moke kwijt zich verder goed van haar taak en weet het publiek anderhalf uur lang te boeien, ook al zijn de hits in het eerste half uurtje al afgevuurd. Op Here Comes The Summer na, een ontegenzeggelijk krachtig nummer dat de band nog niet heeft weten te evenaren. Uiteindelijk valt er weinig op Moke af te dingen: de band doet professioneel wat er van ze verwacht wordt, maar is voor de wat verder kijkende muziekliefhebber gewoon niet meer zo interessant.