Afgelopen vrijdag vond in P60 Amstelveen de eerste editie van Don’t Tell Mummy Fest plaats. Zoals eerder in ons interview met de organisatie te lezen viel, was het een ideale eerste gelegenheid voor Engelse bands om voor het eerst kennis te maken met een Nederlands publiek. Een soort showcasefestival dus. Wij kwamen de sfeer proeven.

Make Out Molly

Vanavond is het vroeg pieken; Don’t Tell Mummy begint al terwijl burgerlijk Nederland zijn avondmaal nog moet verorberen. DROOL opent de avond om 18:00 uur. Voor de fanatieke muziekliefhebbers helemaal goed.

Na hen is het de beurt aan de Haarlemse jongens van Make Out Molly. “Wassaaaa!” roepen ze, en zo beginnen ze hun show. De tweemansformatie zet gelijk hoog in. Ondanks een nog vrij lege zaal –wat te wijten valt aan het vroege tijdstip- wordt er toch flink geknikkebold. De energie die de heren uitstralen is duidelijk voelbaar. Ze zingen aanstekelijke koortjes – bij vlagen net niet zuiver, maar ook dat heeft zijn charme. Het zorgt voor een prettige opvulling van hun toch wel erg minimale bezetting. Met een noodvaart spelen ze door hun goed gevulde set heen. Het geringe publiek reageert enthousiast op de band.

The slaughter house band

De heren van the slaughter house band staan uitgelaten met elkaar heen en weer te wiegen op het podium. Frontman Raz Hyland zingt zowel met diepe stem als hoge uithalen en straalt een vibe à la Mac Demarco uit door zijn voorkomen in kekke tuinbroek. De muziek kan echter niet verder van hem afstaan: er klinkt high energy rock ’n roll met bluesinvloeden. Overgangen naar volgende nummers klinken niet per se voor de hand liggend, maar vreemd genoeg werken ze wel. Het geheel is een georganiseerd en charismatisch zooitje en de jongens zitten er helemaal in.
Opvallend bij deze band is prominent tamboerijnspeler Ollie Smith, die letterlijk alleen tamboerijn speelt, maar dit vol overtuiging brengt. Zodra hij een rondje door de zaal rent, moedigt het publiek hem uitgelaten aan.

De avond wordt afgesloten door pareltjes van eigen bodem: Iguana Death Cult en De Likt.

Football FC

De Bristolse jongens van Football FC rammen er meteen hard op los.  Ze maken gebruik van de ruimte en klimmen regelmatig van het podium af de zaal in. De drummer zit schijnbaar onverschillig te spelen in enkel zijn onderbroek. In tegenstelling tot Strange Cages gebruikt deze band geen pallet aan effecten – ze maken gewoon lekker veel herrie en er klinken regelmatig repetitieve, vieze, fuzzy riffs. Helaas overstemt de basgitaar vrijwel de gehele show de rest van de bezetting en maakt de band toch wel wat slordigheidsfoutjes. De toetsenist is zelfs volledig onhoorbaar. De frontman lijkt dat zelf ook, weliswaar in extremere mate, na een van de nummers op te merken: ‘It sounded like shit!’ Als de bassist zijn instrument afstaat aan de leadgitarist om vocalen op zich te nemen, lijkt zijn sterke kant wat meer naar boven te komen. Ironisch genoeg klinken de vocalen van de leden van Football FC inderdaad wat als hooligangebrul, maar dan zonder gewelddadige intenties. De vocale dynamiek knalt continu op 100%. Ondertussen geven ze een van de organisatoren van Don't Tell Mummy (Nils Rehlinger) een shoutout en kort podiummomentje. Het publiek gaat helemaal wild. Vlak voor het laatste nummer roept de frontman: ‘Five more minutes and we’re gonna enjoy every fucking second!’ Dankbaar en lachend verlaat de band het podium met een standaard ingebouwd synthmelodietje en karakteristiek voetbalgejoel.

Strange Cages

Voor liefhebbers van instrumentale, psychedelische noisebreaks met zwevende tonen is het uit Brighton afkomstige Strange Cages een band bij uitstek.  De heren stonden eerder al in het voorprogramma van de geliefde King Gizzard & The Lizard Wizard. Met een bak aan geluid opent de band zijn show. De goedgeklede frontman Charlie Mcconnochie kijkt ondergetekende licht dreigend aan terwijl zijn galmende vocalen de zaal vullen. Toetsenist Ben Buckley vult deze aan met indringende, hoge achtergrondzang. Naast de mysterieuze breaks en poëtische teksten, klinkt er ook geregeld garageherrie. De afwisseling is sterk, en dat met niet eens zoveel pedaaltjes tot beschikking van zowel Charlie als bassist Joseph Thorpe. Zo statisch als toetsenist en bassist erbij staan, zoveel energie stralen frontman en drummer Ellis Dickson uit, die er als een bezetene op los ramt. Er gaat continu een soort rauwheid en beklag uit, ook in de langzamere nummers. Wellicht is het wat hoog gegrepen voor een dergelijke band om gelijk zoveel intensiteit uit te stralen voor hun eerste Nederlandse show, maar het publiek vindt het prachtig en applaudisseert uitgelaten. Het geheel is intrigerend en maakt dat je maar wil blijven kijken.

Met Don’t Tell Mummy is bewezen dat het in een relatief grote zaal als P60 mogelijk is om een gemoedelijke undergroundsfeer neer te zetten. Hoewel de opkomst niet enorm is, voelt de zaal zich duidelijk betrokken bij de bands. Die zijn overigens stuk voor stuk enorm dankbaar dat ze hier mogen staan, zowel jegens de organisatie als het publiek. Een volgende editie, wellicht wél met wat meer genderdiversiteit, is welkom.