Tijdens een rondje jazzkroegentocht mag De Twee Spieghels uiteraard niet ontbreken. Naast dat het een centraal punt in de stad is, en daarmee een epicentrum van de tocht, kunnen we er ook kwaliteit én kwantiteit vinden met het Maarten Combrink Quintet. Nu is Maarten Combrinks trombone al niet het subtielste instrument van formaat, maar op het kleine podium vergezellen een tweede trombonist, gitarist, drummer én contrabassist hem. Combrink is inmiddels vooral bekend als solo-trombonist van het Metropole Orkest.Binnenkort brengt hij met zijn kwintet een eerste album uit, waar zijn composities op zullen staan. Toch is het vijftal niet vies van een klassieke jazzstandard. Hun versie van 'Someday My Prince Will Come', bekend van Sneeuwwitje, in jazz het bekendst van Miles Davis, geeft ons alle ruimte om te dromen van die arriverende prinsen. Of ze nou ter paard komen, op een omafiets met kinderzitje of gewoon te voet, deze jazzwals laat het café breder lijken in plaats van alleen maar diep. Tussen het dromen door valt de benijdenswaardige adem van Combrink op, waarmee hij ellenlange fraseringen kan maken in zijn solo's. Het staccato in de drums maakt de soepele wals qua karakter wellicht iets stugger, maar hey, jazz is soms net als al die prinsen: dat witte paard is niet noodzakelijk.
Het nummer 'Sippin' at Bells', niet alleen bekend geworden maar ook geschreven door de ons welbekende Miles, is van oorsprong een ode aan een bar - het bewustzijn slaat in dat er nog meer kroegen vanavond voorzien zijn van muzikale omlijsting. Uiteraard, je mist altijd meer dan je meemaakt, maar mogen we nog even hier blijven, daar waar solo afgewisseld wordt met solo, waar we allemaal die zelfde taal lijken te spreken?