TakeRoot 2011: minder aansprekende namen TakeRoot 2011: minder aansprekende namen

...maar een paar aangename verrassingen

, Wymer Praamstra & Sander Nieuwenhuijsen (tekst) & Harold Zijp (tekst & foto's)

TakeRoot 2011: minder aansprekende namen

...maar een paar aangename verrassingen

Wymer Praamstra & Sander Nieuwenhuijsen (tekst) & Harold Zijp (tekst & foto's) ,

De veertiende editie van TakeRoot is qua programmering zoals we de laatste paar jaar gewend zijn: een prachtige mix van traditionele en moderne toppers in het folk genre, met de nadruk op Americana. Met als headliner The Tallest Man on Earth misschien niet het beste affiche ooit, maar TakeRoot staat altijd garant voor bijzondere verassingen

...maar een paar aangename verrassingen

De veertiende editie van TakeRoot is qua programmering zoals we de laatste paar jaar gewend zijn: een prachtige mix van traditionele en moderne toppers in het folk genre, met de nadruk op Americana. Met als headliner The Tallest Man on Earth misschien niet het beste affiche ooit, maar TakeRoot staat altijd garant voor bijzondere verassingen.

Een festival als TakeRoot openen is natuurlijk nooit makkelijk. Dan Baker uit Boston doet samen met zijn band The Breakdown zijn uiterste best, maar weet de ondanks het vroege tijdstip goed gevulde foyer niet echt te boeien. Het begint prachtig, maar al na een paar nummers komt de klad er in. Het songmateriaal is iets te eenvormig en bezit zeker in het rumoer te weinig daadkracht om veel indruk te maken. Iets waar Morgan O’Kane in de kleine zaal minder last van heeft. Hij heeft een beest van een stem en de traditionele Amerikaanse sfeer die TakeRoot toch kenmerkt wordt belichaamt in zijn band en stijl. Prachtig is ook de ‘drummer’ die aan zijn stampende been en twee lepels genoeg heeft.

Israel Nash Gripka is een Amerikaanse domineeszoon die het platteland verruilde voor het grote New York. Deze tweedeling is ook in zijn muziek goed hoorbaar. De prachtige folk valt in de grote zaal weinig terug te horen; het zijn eerder stadionknallers die je bij het binnenkomen van de zaal tegemoet komen. De nummers missen daardoor gevoel, de teksten zijn slecht verstaanbaar en de nummers klinken vaak hetzelfde. Typisch een artiest die beter tot zijn recht komt als hij solo en akoestisch een aandachtig publiek voor zich heeft.

Man Man uit Philadelphia oogt in eerste instantie als een vrolijk uitgedost zooitje ongeregeld. De bandleden wisselen bijna elke nummer onderling van instrumenten en de prettig gestoorde zanger doet zijn uiterste best de stemming er in te krijgen. Al met al levert dit geheel een opmerkelijke mix van muziekstijlen op, van elementaire rock tot de feestpolka die we kennen van Gogol Bordello. Het vroege tijdstip op de avond helpt helaas niet echt mee om er een geslaagd feestje van te maken.

The War on Drugs is net als Gripka eerder een band voor wie de grote zaal wel erg groot blijkt. De band rond Adam Granduciel begon in 2005 met Kurt Vile, die nu met zijn eigen band op TakeRoot staat, en bracht in de tussenliggende jaren een paar prachtige ep’s en recentelijk het tweede album Slave Ambient uit. De indie-rock heeft een heerlijk vol geluid, waar de melodieën prachtig doorheen sijpelen. Meer nog dan op plaat is The War on Drugs live ongrijpbaar, met een heel dik geluid, met name door de keyboards. Voor mensen die niet zo bekend zijn met de band is het pittige kost, voor de echte fans een heerlijke trip.

Matthew and the Atlas spelen in de hal ingetogen folkachtige liedjes. Wanneer zanger Matthew Hegarty in zijn eentje zingt is het niet geheel overtuigend. Pas als de rest van de band op volle kracht mee doet wordt het echt interessant, helaas gebeurt dit maar sporadisch. Op deze momenten heeft de muziek wel iets weg van het Nederlandse I Am Oak en bij vlagen van Mumford and Sons.

Josh T. Pearson is een prachtig en kleurrijk figuur. Uit zijn door een royale gezichtsbegroeïng goed verborgen mond komen misschien wel de meest aangrijpende liedjes van de avond. Als een priester predikt hij zijn voornamelijk over de liefde verhalende nummers die zonder uitzondering van bijbelse proporties zijn. Vijf/zes nummers in een uur is ongeveer zijn gemiddelde. Tussen de nummers door blijkt Pearson een opvallend vrolijke vent, zijn grapjes zijn niet allemaal even geslaagd, maar dat maakt het misschien alleen maar aandoenlijker. Hij is zo iemand waarvoor men naar TakeRoot komt. Een ontspannen sfeer en de volledige aandacht en respect voor de optredende artiesten die in een prachtige setting het beste uit zichzelf boven halen.

Als Christopher William Stoneking het podium op stapt en zijn ‘Primitive Horn Orchestra’ het eerste nummer inzet zou je in eerste instantie denken dat hij zo vanaf de katoenvelden van Mississippi komt aanlopen. Met zijn rauwe en raspende stem vertelt hij verhalen uit vervlogen tijden, vaak met een subtiele tekstuele knipoog. In werkelijk timmert de Australische zanger al een tijdje aan de weg. De eerste echte tekenen van emotie zien we pas aan het einde van het optreden, wanneer hij de draad kwijtraakt en het zweet op zijn voorhoofd staat. Door zijn markante uiterlijk, in het wit gekleed met het onvermijdelijke strikje, de haren strak achterover en mondhoeken treurig hangend, en zijn zware binnensmondse accent is het lastig C.W. Stoneking te plaatsen. Op TakeRoot is hij in ieder geval helemaal op zijn plek.

Met enige trots wordt in de aankondiging van The Tallest Man On Earth gerefereerd aan het optreden dat hij twee jaar geleden al gaf op het TakeRoot. Inmiddels is de Zweedse singer-songwriters alom geliefd en wordt regelmatig met open armen ontvangen in Gronigen. Op papier is het misschien een gewaagde zet om de kleine songwriter, die altijd solo speelt, met zijn intieme muziek in de enorme zaal van de Oosterpoort te zetten. Wie de Zweed echter vaker heeft zien spelen weet dat hij bij elk publiek, hoe groot ook, stilte weet af te dwingen. Met zijn indringende blik terwijl hij zingt kan hij je het gevoel geven zijn verhaal alleen aan jou te vertellen. Dankzij het stille en respectvolle TakeRoot-publiek kan hij rustig door zijn set van dik een uur heen werken. Ontspannen en toch met met veel passie speelt hij weinig verrassend, maar met grote klasse.

Eerder dit jaar speelde Kurt Vile met zijn Violaters een vol Vera plat, vanavond gaat dat helaas wat minder in de foyer van de oosterpoort. Het is niet dat zijn nummers aan kracht hebben ingebonden, maar aan het eind van de Europese tournee lijkt de klad er een beetje in te zitten bij Vile en zijn band. Hoogtepuntjes als Jesus Fever en Peeping Tomboy zijn prachtig, maar te veel nummers klinken niet zoals ze kunnen. De foyer loopt dan ook aardig leeg, iets wat een geweldige artiest als Kurt Vile niet verdiend.

Niet lang geleden speelde Megafaun al een intieme show in de Spiegeltent op Noorderzon. In een soortgelijke setting speelt de band uit Wisconsin nu in de Kleine Zaal van de Oosterpoort, waar het zittende publiek zich mee laat voeren op de folksongs van hun laatste album Gather, Form and Fly. Last van grote ego’s hebben de vier uiterst getalenteerde bandleden niet. Per nummer wisselen ze van eerste stem, de rest van de band vult het met Beach Boys-achtige harmonieën aan. Dit geeft een afwisselend geluid, waarin ook ruimte is voor improvisatie. Het enige wat er misschien op aan valt te merken is dat er geen echte uitschieters in de set zitten, waardoor het optreden een lange, maar uiterst prettige, zit is.

The Secret Sisters komen uit Muscle Shoals, Alabama en zijn echt zussen. Ze verrasten begin dit jaar met een hele leuke plaat met traditionele country liedjes en een paar eigen nummers. Laura en Lydia Rogers hebben twee geweldige stemmen die perfect met elkaar harmoniëren. Ze beginnen op TakeRoot indrukwekkend met een prachtige versie van The One I Love Is Gone, een Bill Monroe klassieker. Daarna volgen er in een stief uurtje nog een paar klassiekers (Hank Williams, George Jones en Patsy Cline) en ook wat eigen werk. Prima, niks mis mee, het enige wat gaat irriteren is het oeverloze gekwebbel tussen de liedjes door. Speuln! Verder heb je het gevoel dat het leven nog wat meer over deze dames heen moet. Maar dat gaat vanzelf gebeuren.

Zelden zal de uitdrukking "het festival werd in stijl afgesloten door" zo toepasselijk zijn geweest als zaterdagavond in de Oosterpoort. Daar blazen rond middernacht de jongens van Pokey Lafarge & the South City Three het dak er van af met een geweldige set vol twenties en thirties swing, ragtime en andere oer-rock 'n' roll. Pokey Lafarge is zo'n typisch Amerikaanse bandleider: strak in het pak, guitige blik en pommade in het haar. En wat een mooie liedjes! Zelfs trieste songs als Hard Times Come and Go - opgedragen aan de slachtoffers van 9/11 - nodigen uit tot dansen. Als de band na een tweetal toegiften door de organisatie gemaand wordt een eind aan de show te maken trekken de mannen de acoustische instrumenten uit de versterkers en gaat het feestje nog tien minuten door tussen het publiek.

nu op 3voor12