Wat gebeurt er als je je muziek toevertrouwt aan zestig musici?
Wanneer pop en klassiek elkaar niet begeleiden, maar uitdagen? In Oh What a World keert Rufus Wainwright terug naar het Residentie Orkest voor een groots, genre-overschrijdend programma waarin zijn songs en composities opnieuw worden geboren.

Veelzijdigheid is een understatement


Na ruim tien jaar staat de Amerikaans-Canadese singer-songwriter Rufus Wainwright opnieuw met het Residentie Orkest onder de noemer Oh What a World op het podium: een groots overzicht van een oeuvre dat balanceert op het breukvlak van pop en klassiek. Het orkest fungeert daarbij niet als begeleider, maar als volwaardige gesprekspartner.  

Als zoon van singer-songwriter Loudon Wainwright III is Rufus Wainwright geworteld in de pop, maar al vroeg werd hij verleid door de klassieke muziek. Die dubbele liefde leidde tot grootse werken als Prima Donna (2015) en Hadrian (2018), en klinkt nu door in Oh What a World: een programma waarin zijn songs en composities opnieuw vorm krijgen in samenspel met het Residentie Orkest.


 

Tess Merlot in gesprek met Rufus Wainwright

Lef


Het vraagt lef om je muziek los te laten. Om haar open te breken, te herschrijven, te delen met een orkest. Rufus Wainwright deed het en ontdekte een nieuwe wereld.
In Oh What a World onderzoekt hij samen met het Residentie Orkest waar pop en klassiek elkaar werkelijk ontmoeten samen met bijzondere gasten, wereldpremières en een uniek gesprek op het podium.

Die wisselwerking tussen artiest en orkest staat centraal in dit interview. Want hoe verandert een lied wanneer het wordt opengebroken door zestig musici? Wat vraagt zo’n samenwerking op het gebied van vertrouwen, timing en ego?

In AMARE schuift veelzijdig artieste Tess Merlot aan als gast-interviewer, vanwege de gedeelde ervaring op het gebied van klassiek en pop. Merlot werkte namelijk ook intensief samen met het Residentie Orkest en nam met het Haagse orkest het album Live at PAARD op, waarin chansonklassiekers en haar eigen werk een nieuw, symfonisch geluid kregen.

Net als Wainwright kent zij het proces van binnenuit: het loslaten van de band en het vinden van een nieuwe intimiteit op het podium én met de mensen in de zaal. Een gesprek tussen twee artiesten die - elk vanuit hun eigen wereld - dezelfde sprong waagden; hun muziek toevertrouwen aan het Residentie Orkest, en ontdekken wat er gebeurt wanneer pop en klassiek elkaar écht ontmoeten.

 

Tess Merlot in gesprek met Rufus Wainwright

 

Weet je nog de allereerste keer dat je je eigen nummers in een orkestrale setting hoorde?
“Mijn eerste album had al prachtige strijkarrangementen van de beroemde arrangeur, songwriter en producer Van Dyke Parks, maar de eerste keer dat ik zelf met een strijkerssectie in de studio stond, was bij Capitol Records in Los Angeles. Dat moment vergeet ik nooit. Bovendien stond ik letterlijk in dezelfde ruimte waar Judy Garland, Frank Sinatra en Nat King Cole hun muziek hadden opgenomen.”

En live? Ik kan me voorstellen dat het heel anders is wanneer je bij de repetitie voor een liveconcert een volledig orkest je eigen liedjes hoort spelen.
Ik ben al gek van opera sinds ik een jaar of twaalf was, dus ik voelde me altijd al aangetrokken tot dat geluid, was er wel op voorbereid. Een verrassing was het dus niet. Wat me wel opviel, is hoe stil het kan zijn. Een groot orkest kan zó subtiel spelen. Die verfijning en dynamiek, al die klankkleuren: geweldig.”

Kun je zeggen dat je veel eigen nummers dus hebt geschreven met een orkest in gedachten?
“Ik wilde vooral liedjes schrijven die op veel manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Mijn moeder was een geweldige songwriter; mijn vader is dat nog steeds. Het ethos van de McGarrigles en de Wainwrights is dat een lied zowel met een orkest als helemaal solo moet kunnen bestaan. Dat doe ik nu ook veel: ik speel óf met orkesten óf solo. Mijn akkoordenschema’s zijn van nature vrij orkestraal.”

Is het wel eens gebeurd dat een nummer voor jou een nieuwe betekenis kreeg door een andere bewerking?
“Liedjes krijgen sowieso andere betekenissen zodra ze geproduceerd worden. Ze gaan andere aspecten van je leven weerspiegelen, op het moment zelf of pas later. Maar de meest ingrijpende ervaring had ik toen ik mijn eerste opera componeerde. Bij een opera raak je zó ondergedompeld in alles, de personages, de muziek, de orkestratie, dat je jezelf bijna verliest in het proces. In die periode was mijn moeder heel erg ziek, ze lag vaak in het ziekenhuis. Ik stortte me volledig op die opera, eigenlijk om niet te hoeven nadenken over wat er verder in mijn leven gebeurde. Toen ik de muziek voor het eerst door het orkest hoorde, was ik verbijsterd door hoe emotioneel het was. Ik merkte hoeveel gevoelens ik erin had verwerkt, verdeeld over al die instrumenten en melodieën. Dat is iets bijzonders aan werken met orkesten: je raakt zó overweldigd dat je even kunt ontsnappen aan de realiteit, jezelf kunt verliezen in de muziek. Je gevoelens worden overgedragen aan andere mensen en instrumenten.”

Waarom kan juist een orkest dat zo overbrengen?
“Het symfonieorkest is een van de grootste creaties van de westerse beschaving. Muzikaal niet te evenaren. Ik geloof echt dat musici die de ene dag Sibelius spelen, iets van die geest met zich meedragen wanneer ze de volgende dag mijn nummers spelen. Alles raakt met elkaar verweven: componisten, tijdperken, stijlen. Er spelen allerlei onzichtbare geesten mee.”

Tess Merlot

Je hebt inmiddels met heel wat orkesten gespeeld. Is er altijd een klik, of soms ook totaal niet?
“Dat hangt er echt van af. Elk orkest heeft een eigen persoonlijkheid. Soms mogen ze je, soms niet. Ik heb orkesten meegemaakt die totaal niet onder de indruk waren van mij. Als een grote sectie een beetje snobistisch is, beïnvloedt dat de anderen. Maar er zijn ook orkesten die juist enthousiast zijn om met een nieuwe artiest te werken en niet steeds hetzelfde repertoire te spelen. En dan heb je orkesten die je duidelijk niet mogen, maar die wel fan-tas-tisch spelen, haha.”

Oeh, is het dan nog wel leuk?
“Dan wordt het een uitdagend gevecht, ook dat kan leuk zijn. Soms voel je de drama in een orkest, de spanningen tussen dirigent en concertmeester of tussen secties. Maar ondanks alles moeten ze aan de bak: geen tijd om aan te rommelen, spelen! Dat vind ik ontzettend indrukwekkend: dat ze het podium op gaan en nieuwe stukken feilloos spelen alsof ze ze al jaren in de vingers hebben.”

Voor dit soort concerten gaat er vaak eerst een arrangeur aan de slag met je muziek om het aan te passen en om te schrijven naar een orkestsetting. Is het wel eens voorgekomen dat je het absoluut niet eens was met bepaalde keuzes in de arrangementen?
“Ja, dan ga ik schuiven. Soms haal ik delen uit een arrangement en laat ik het orkest alleen op onverwachte momenten binnenkomen. Of ik gebruik maar één sectie, bijvoorbeeld alleen de strijkers. Het weghalen is net zo belangrijk als het toevoegen. Als er te veel gebeurt, werkt het niet. Zo word je eigenlijk zelf ook een beetje arrangeur.”

Wordt dat door arrangeurs wel geaccepteerd?
“(Lachend) Ze moeten wel. Het zijn tenslotte mijn nummers. Als uitvoerend artiest heb ik het recht om ze aan te passen zoals ik wil. Uiteindelijk is het mijn show.”

En dan speel je dit weekend in Den Haag, Utrecht en Eindhoven, samen met het Residentie Orkest. Jullie hebben eerder samengewerkt, toch?
“De laatste keer dat ik met hen werkte, speelden ze delen uit mijn opera ‘Hadrian’. Tijdens deze voorstelling doen we één aria uit die opera. Het Residentie Orkest is het perfecte orkest om alle zijpaadjes van mijn muziek mee te verkennen, dus we hebben samen besloten om dit keer het spectrum te verbreden. We duiken dus ook in mijn meer theatrale werk én popliedjes. “

Voor deze concertreeks heb je sopraan Danielle de Niese meegenomen, ‘onze’ Carice van Houten is de special guest. Waarom zij?
“Carice en ik zijn al heel lang bevriend. Ze kwam ooit na een show naar me toe en we klikten meteen. Dit is de eerste keer dat Carice en ik samen zingen, dus ik heb wel even moeten zoeken naar het juiste materiaal. Ze is opgegroeid met de muziek van mijn moeder; haar vader was een enorme McGarrigle-liefhebber. Ze begrijpt dus waar ik vandaan kom. Danielle is een nieuwere vriendin, en een fantastische zangeres, een grande damein de operawereld. Toen we elkaar ontmoetten, was het meteen vuurwerk. Ik hang graag rond met fantastische vrouwen: getalenteerd, intelligent, glamoureus en leuk. Danielle en Carice zijn dat allebei.”

Is er een moment waar je in het bijzonder naar uitkijkt?
“We doen met z’n drieën ‘Unperfect Actor’, een van de sonnetten. Het is een wild stuk, bijna punkrock, scherp en edgy. Niet meteen wat je verwacht van orkestmuziek, maar het werkt. Het wordt iets unieks dat hier in het Haagse Amare in première gaat, en gelukkig mogen we het in TivoliVredenburg en Muziekgebouw Eindhoven nóg een keer spelen.”

Een soort weerspiegeling van jullie vier samen dus, van Rufus, Danielle, Carice en het Residentie Orkest?
“Ja. Vijf eigenlijk. Shakespeare is er natuurlijk ook bij.”

 

Oh What a World zien?

Het Residentie Orkest, Rufus Wainwright en special guests sopraan Danielle de Niese en Carice van Houten zijn te zien in AMARE Den Haag op vrijdag 16 januari, in Tivoli Vredenburg Utrecht op zaterdag 17 januari en het Muziekgebouw in Eindhoven op zondag 18 januari.