Ontmoet de nieuwe UK-indiesensatie, Westside Cowboy
Engelse indiefolkband over de Manchester-scene en hun inspiratiebronnen

Vier beste vrienden met een gedeelde obsessie voor muziek: dat bleek genoeg voor Westside Cowboy om uit te groeien tot een van de spannendste nieuwe namen in de Britse indiescene. De indiefolkband uit Manchester bracht deze week hun debuutalbum It Goes On uit.
Iedereen die de indiefolkband Westside Cowboy ooit live heeft gezien, kent dat éne moment aan het eind van hun show. Op ‘In The Morning’ verzamelen ze zich met z’n vieren rond één microfoon, glimlachend, met een hand op elkaars schouder, gewapend met niet meer dan een gitaar en een trommel. Reuben Haycocks, James Bradbury, Aoife Anson O'Connell en Paddy Murphy zijn gewoon vier allerbeste vrienden die samen muziek maken en zichtbaar genieten van elke seconde.
‘Onze band is inderdaad een soort natuurlijke voortzetting van onze vriendschap. We zijn er een beetje ingerold, zonder er te veel over na te denken’, vertelt Paddy. Dat ze vóor hun debuutalbum een van de spannendste nieuwe namen binnen de UK indiescene zouden worden, had niemand van de vier verwacht. Maar zo snel kan het gaan: vorig jaar stond Westside Cowboy op The Great Escape en was de groep het voorprogramma van Black Country, New Road en Geese. Reuben: ‘Het is echt grappig, want mijn vader liet me jaren geleden een video van Geese zien en zei: “Jij moet ooit ook in zo'n band zitten.” Toen ging ik studeren, ontmoette ik deze gasten... en nu is dat dus gewoon gebeurd.’ Na twee EP's is er nu het debuutalbum van Westside Cowboy: It Goes On.

Muziekliefhebbers
Met hun opzwepende mix van country, folk, shoegaze en indierock is het duidelijk dat het viertal wezenlijk andere referenties heeft dan veel gitaarbands uit dezelfde hoek: ‘We bonden als groep al snel over onze liefde voor de Audiotree-sessie van de band Pinegrove. Zelfs voordat deze band bestond, zeiden we tegen elkaar: ooit moeten we een album maken dat precies zo klinkt. Je hoort veel typische Pinegrove-dingen terug in onze muziek: tempowisselingen, dat constante duwen en trekken in het ritme en grote dynamische contrasten,’ vertelt Reuben.
Maar Pinegrove is zeker niet de enige inspiratiebron. Zo is de studioversie van ‘Kick Stones (The Boys)’ geïnspireerd door een live-opname van ‘What Goes On’ van The Velvet Underground. Reuben: ‘We zijn allemaal enorme The Velvet Underground-fans. Wat we zo tof aan hen vinden, is dat hun muziek superintens klinkt, zonder dat het voelt alsof ze daar bewust hun best voor doen. We hadden “Kick Stones (The Boys)” live steeds groter gemaakt en echt vol met steroïden gestopt. Maar daardoor verloren we juist een beetje de subtiliteit. Toen liet Paddy ons die liveversie van “What Goes On” horen. De gitaar staat keihard, maar je hebt het bijna niet door, omdat alles een beetje shit klinkt. Juist daardoor sluipt die intensiteit er langzaam in. Dat wilden wij ook.’
Gevoel boven perfectie
Paddy: ‘Er zit een bepaald “gevoel” in veel muziek waar wij van houden. Ik weet niet zo goed hoe ik het moet uitleggen. Het is niet per se dat die muziek overduidelijk verdrietig klinkt, maar er zit iets in waardoor het je toch raakt. Alsof het een beetje aan je trekt.’
Hun debuutalbum is opgenomen door producer Loren Humphrey, die ook meewerkte aan het geluid van onder andere Geese, Cameron Winter en Wunderhorse: ‘Wat ik zo goed vind aan Loren, is dat hij heel erg gefocust is op emoties’, vertelt Aoife. ‘Niet of iets mooi klinkt, maar of het goed vóélt binnen een nummer. Hij laat vaak oude, beroerd klinkende opnames horen ter inspiratie. In een tijd waarin alles glad en perfect wordt gemaakt, moedigt hij juist de imperfecties aan. Daar hebben we elkaar echt in gevonden.’
Paddy: ‘Als wij er nét iets te dik bovenop zaten, zei hij gewoon: “Nee, dit is corny.'” Zo van: “Dat gevoel zit er al. Je hoeft het mensen niet in het gezicht te duwen”’.

Manchester als inspiratiebron
Manchester is nog altijd de plek waar beginnende indiebands naartoe trekken. In kleine cafés en zaaltjes groeit een hechte scene waarin muzikanten samen spelen, elkaar vooruit helpen en voortdurend nieuwe projecten beginnen. De laatste jaren is die levendige indiescene een stuk diverser geworden: ‘Manchester zat lang een beetje gevangen in zijn eigen verleden’, vertelt Reuben, ‘het voelde alsof je als band al snel de nieuwe The Smiths, Oasis of The Stone Roses moest zijn. Maar na corona ontstond er ineens een lichting bands die allemaal totaal hun eigen ding deden.’ Neem bijvoorbeeld Dove Ellis, folkdoorbraak van het jaar. Of TTSSFU, een van de opvallendste nieuwe shoegazenamen uit Manchester. ‘Als je die bands op het podium ziet spelen, besef je je: als zij dit kunnen, waarom wij dan niet? Omdat iedereen elkaar zo goed kent, hangt er minder competitie; iedereen trekt elkaar juist een beetje omhoog.’
Zo raakten ze ook betrokken bij No Band Is An Island, een collectief waar Westside Cowboy mede-oprichter van is. Eens per maand organiseren ze een avond vol muziek én politieke sprekers. ‘Als je in je early twenties zit, word je vanzelf gedwongen om meer naar buiten te kijken,’ vertelt Aoife. ‘We komen allemaal uit kleine dorpen, en als je dan naar een stad als Manchester verhuist met zo’n rijke politieke geschiedenis, raak je meer betrokken bij wat er om je heen gebeurt. We voelen daar een verantwoordelijkheid in, zeker toen steeds meer mensen zich gingen uitspreken over de oorlog in Palestina. No Band Is An Islandis een fijne manier om mensen, muziek en politieke ideeën samen te brengen. Kunst en muziek zijn sowieso altijd politiek geweest.’