Vroeg op de derde dag van Pukkelpop barstte de Club – de op een na kleinste tent – al uit haar voegen. Reden: Jelle Denturck en zijn soloproject Dressed Like Boys speelden er hun grootste show tot dan toe. Met amper een handvol uitgebrachte songs kreeg Denturck de volledige tent muisstil en liet hij hier en daar zelfs wat traanbuizen overlopen. Daarna begon de trein pas echt te rollen: een warm onthaald debuutalbum, lof op Eurosonic Noorderslag en onlangs nog twee MIA's, waaronder eentje voor Beste Songwriter. Het moge alvast duidelijk zijn: de mensen in Heerlen werden gisteravond schromelijk verwend – en wie er niet bij was, zal dat moeten bekopen met een stevige portie retrospectieve FOMO.

Na jaren frontman te zijn geweest van de vinnige indierockband DIRK. merkte Jelle Denturck dat er iets wrikte: zijn teksten waren scherp en geestig, maar zelden écht van hem. Dus trok de West-Vlaming de stekker eruit, verdween even in een blender van filosofie, meditatie en zelfonderzoek, en uiteindelijk kwam er iets bovendrijven dat écht voelde: Dressed Like Boys. Een veel persoonlijker project waarin Denturck zijn queer identiteit, rouw en zoektocht naar vrijheid eindelijk ongefilterd op tafel legt. Minder gitaren, meer piano, minder bravoure, meer kwetsbaarheid - maar nog altijd met genoeg melodie om de zware thema’s verteerbaar te houden.

Qua geluid zweeft Dressed Like Boys ergens tussen Sufjan Stevens en Elton John – twee van de beste songschrijvers die de planeet rijk is. Denturck nu al naast zulke grootheden plaatsen is misschien wat voorbarig, maar vanavond wordt wel duidelijk dat de man uit Ingelmunster een uitzonderlijk talent voor liedjes schrijven heeft. Ingelmunster, hoor ik je denken: zo’n dorp waar ‘anders’ zijn al snel betekent dat de buren je nét iets langer aankijken. Precies daarover gaat een van de mooiste momenten van de avond: ‘Our Part Of Town’, een juweel van een luisterliedje. Dichterbij de al eerder genoemde Sufjan Stevens gaan we voorlopig (helaas) niet komen.

Toch beperkt Dressed Like Boys zich niet tot ingetogen ballads. ‘Pinnacles’ explodeert bijvoorbeeld in een heerlijke gitaarsolo van Nathan Ysebaert, terwijl op ‘Agony Street’ – met Jelle even los van zijn piano en zelfs kort de zaal in – voorzichtig wordt gedanst. Ook ‘Finger Trap’ ontvouwt zich prachtig, waarbij de overigens piekfijne band samen een haast barokke rockopera-achtige sound neerzet. En hoewel de beladen thema’s ons bijna ongemerkt om de oren vliegen, blijft er genoeg ruimte voor humor. Zo grapt Denturck dat hij een geschiedenis heeft met Heerlen, waar hij in een ver verleden zelfs het Parkstad Cabaret Festival won.

Maar hoe geestig de frontman ook kan zijn, op de juiste momenten laat hij de kwetsbaarheid primeren. Zo brengt hij solo het prachtige ‘And Then I Woke Up’ als eerste toegift, een nummer waarin hij zijn indrukwekkende vocal range volledig openzet. Daarna volgt het uitgesponnen ‘Gregor Samsa’, een adembenemende ode aan zijn moeder die de zaal muisstil achterlaat.

De urgentie spat van de laatste song van de set af: 'Stonewall Riots Forever’ vertelt het verhaal van de rellen in de Stonewall Inn (New York) op 28 juni 1969, toen de bezoekers zich verzetten tegen politie-invallen en drie nachten lang opstand pleegden tegen jarenlang treitergedrag en onveiligheid voor queers. Wat begon als chaos, werd het startschot van de Pride-beweging zoals we die nu kennen, van New York tot Amsterdam en Antwerpen. Op het podium laat Denturck die woede, maar ook trots voelbaar herleven. Je moet van goeden huize komen als deze song je koud laat.

Mocht je trouwens het gevoel hebben dat het tegenwoordig allemaal wel meevalt: op een minuut of twee lopen hier vandaan werd nog geen jaar geleden een LGBTQ+-vlag van de gevel van een queer café getrokken. En de kans dat je in een van de kroegen verderop het woord ‘homo’ als grap of zogenaamde 'mannenhumor’ hoort vallen, is helaas allesbehalve klein. Het is duidelijk: we zijn er nog lang niet. Gelukkig is er Dressed Like Boys om je er op subtiele, maar onmiskenbare wijze aan te herinneren.