LGW17 vrijdag: Die ene show waar niemand overheen kan LGW17 vrijdag: Die ene show waar niemand overheen kan

Maar ook: William Basinski, The Residents, Thurston Moore en Protomartyr

, Atze de Vrieze, Cécile van Wijnsberge en Niels Aalberts

Le Guess Who? viel vandaag uiteen in twee soorten publiek: mensen die met het blokkenschema in de hand zoveel mogelijk wilden zien, en mensen die wisten dat niets boven Mount Eerie zou gaan. Voor de eerste groep was er ongelofelijk veel moois te zien, de tweede groep wilde om half twaalf eigenlijk niets liever dan met een triest maar tevreden gevoel naar bed.

Daar staat hij dan, de nieuwe anti-held van de rock ‘n roll, Joe Casey. Hij is de frontman van de band Protomartyr, maar hij oogt als een autoverkoper uit Windsor, Michigan. Een die twintig jaar lang netjes in pak naar zijn werk ging en al die jaren vond dat ie het heel aardig voor elkaar had met zijn invulling van The American Dream. Tot een maand geleden, toen ie tot de conclusie kwam dat het Amerika dat hem alle kansen zou moeten geven door en door verrot is. Daar staat hij, hand in de zak, te oreren tegen de president die zijn land te grabbel gooit. ‘Throw him out, throw him out, throw him out, throw him out, throw him OUT!’ Hij spuugt het echt in de microfoon, een geweldige contradictie met zijn gelaten lichaamshouding. Natuurlijk is Casey geen autoverkoper. De laatste jaren ontpopte hij zich als een bijtende tekstschrijver, echt een poëet van het vervallen Amerika, waar thuisstad Detroit misschien wel het meest visuele voorbeeld van is. En hoewel je merkt dat de Ronda - ook al is ie bomvol - nog wel een beetje onwennig groot is voor deze band, gaat er toch een sterke kracht uit van de rauwe postpunk. Hier staat echt iets op het spel.

(Tekst gaat door onder de foto)

Dat gevoel heb je veel minder bij Thurston Moore. De oude frontman van Sonic Youth is zonder meer indie royalty, en zijn band (met o.a. SY-drummer Steve Shelley in de gelederen) jamt en feedbackt fraai, maar het voelt wel meer als een ereronde dan als een echt nieuw avontuur. Niet per se erg, want avontuur is er genoeg te vinden op deze Le Guess Who?. We zien boven in de Hertz Patrick Higgins (van de band Zs) met elektronische effecten een strijkkwartet manipuleren. We zien de gitzwarte beat poëet Moor Mother het slavernijverleden uitbenen. En we zien de charmante Kelly Lee Owens, een van de vele prikkelende vrouwelijke muzikanten vandaag. Stonden er maar zoveel vrouwen in het publiek.

Het lijkt wel of het overal in Tivoli stampvol is, zo ook in Cloud Nine voor Kelly Lee Owens. De Welshe producer en zangeres debuteerde dit jaar met een verfijnd album voel soepele elektronische liedjes. Haar liveshows volgen de structuur van die plaat: in het begin onderkoeld en subtiel, dan langzaam naar harder en dieper. Owens duwt direct een keiharde bas in je gezicht waar je neusvleugels van gaan trillen, maar de tracks blijven ijzig en elegant. Daarboven galmt haar lichte fluisterstem. Vanaf 'Anxi', de track die ze maakte met Jenny Hval, die later vandaag op het programma staat, wordt de set uitgesprokener en opzwepender. 'We zijn hier om te dansen, toch?' vraagt ze aan het publiek. Zij wel, ja: ze is vrolijk en beweeglijk, of ze nu gebukt boven de knoppen staat te headbangen of soepel over het podium heupwiegt. Het publiek wil er nog niet echt aan. Pas als ze na een kwartiertje aankondigt dat ze gaat opschakelen ('Het wordt nu een beetje meer techno, zodat jullie kunnen dansen!') komt er een klein beetje beweging in het publiek. De lichten worden wat gedimd en een track later staat ze ongegeneerd te beuken. Harder en lomper dan op de plaat, maar wat werkt dat eigenlijk goed. Bijna jammer dat ze zo aan haar liedjes vast houdt: je vraagt je af of het niet nog vetter zou zijn als ze gewoon een volledige live technoset zou spelen. Ze blijft het publiek opgewekt vragen om met haar mee te gaan in haar plezier en in vredesnaam te gaan dansen, maar op een paar man na blijft het akelig stijf. Geeft niet, Kelly viert gewoon het allermooiste feestje in haar eentje. 

Bij Jenny Hval voltrekt zich even later een bijzonder tafereel. De Noorse songwriter en producer, met kort monnikenkapsel en in glimmend zwarte jumpsuit, staat op het podium met een volledig stoïcijnse man achter de synths en een danseres in beige gympakje. Die is hier voor het performance kunst-aspect van de show: ze strooit met rozenblaadjes, filmt Jenny en het publiek met een mobiele telefoon aangesloten op een groot scherm, en smeert liefdevol Jenny's rechterhand in met rode blacklightverf. Ondertussen horen we Hval's uitgesponnen elektronische popcomposities over liefde, emoties en de dood. Alsof Robyn plots geen zin meer had om catchy refreintjes te zingen. Haar heldere stem meandert over de dwingende beats, of prevelt een spoken word-stuk over het ongemak van menselijke gevoelens ('Why can't I just be... a thing?'). Gelukkig is het heus niet allemaal bloedserieus: Hval en haar collega's hebben zelf de grootste lol, en tussen de liedjes door maakt de zangeres aandoenlijk ongemakkelijke grapjes – en neemt die danseres even een hap van een mini-Bounty, om vervolgens de andere helft aan de man achter de synths te geven. Bizar, en fascinerend om naar te kijken.

(Tekst gaat door onder de foto)

Maar nog lang niet zo bizar als de tweede vraagteken-act van het festival. Je weet wel, de verrassingen waarover we al dagen speculeren. Op Twitter zijn al 'sterke geruchten' te lezen dat het gaat om artrockband The Residents. De naam van de mysterieuze band gonst dus ook al door de Ronda voor de show begint. Eigenlijk is zo'n klein lekje zo slecht nog niet: de zaal staat vol mensen die opgewonden met elkaar staan te fluisteren. Het voelt een beetje alsof je een heel leuk en spannend raadsel hebt opgelost. The Residents is eigenlijk eerder een kunstenaarscollectief dan een band, met de video's en performances als essentieel onderdeel van de act. Wie er precies onder die typische enorme oogbollen zitten die ze op hun hoofden dragen, is al sinds de jaren '70 een raadsel. Wel weten we dat de band garant staat voor een flinke dosis theater en ongrijpbare muziek waarmee zo'n beetje elke Amerikaanse muzikale traditie op de hak wordt genomen.

Goed, het publiek weet dus al wat er komen gaat, maar The Residents zijn altijd te weird gebleven voor het grote succes, dus behalve een paar echte kenners staat de zaal vooral vol met nieuwsgierigen, geïntrigeerd door het bijzondere uiterlijk en de cultstatus van de band. Die mensen worden echter subiet weggejaagd: de mannen komen op, zonder oogbollen maar met middeleeuwse doktersmaskers met grote snavels, en de frontman in een behoorlijk strak koeienpak. Snerpende atonale gitaarsolo's en schmierende synths vullen de zaal, terwijl de koe dreigend over het podium zwerft en met vervormde stem staat te donderpreken. Vreemd, inderdaad, maar eigenlijk niet heel intrigerend. Vooral theatraal ja, en neuzelig. De zaal wordt leger en leger. Het is vast en zeker de bedoeling dat dit ongemakkelijk en onprettig aanvoelt. De vervreemding is ongetwijfeld een belangrijk onderdeel van het artistieke concept. Maar als puntje bij paaltje komt sta je dan toch gewoon een uur naar een best wel vervelende show te kijken.​

Er staat intussen een gigantische rij bij de Helling voor William Basinski, een cultfiguur uit de New Yorkse kunst-scene, zeker sinds hij wereldfaam behaalde met zijn Disintegration Loops, een abstracte geluidssculptuur waarin hij uit elkaar vallende geluidsopnames op oude analoge tapes koppelde aan de aanslagen op het World Trade Center. Zijn looks staan totaal haaks op het type muziek dat hij maakt: zo introvert, verstild en kwetsbaar als zijn geluidscollages zijn, zo zelfverzekerd en flamboyant oogt hij. Zijn haar lang, golvend, als Adam Curry in zijn hoogtijdagen, een zonnebril op. Het weinige licht in de zaal glinstert op de glitters van zijn overhemd. Die grote rij komt trouwens ondermeer doordat Basinski zijn publiek uitnodigt te gaan zitten. In de Helling. Op de harde vloer. Het blijkt een kapitale fout. Want wat krijg je: onrust bij de deur, mensen die hun hoofd naar binnen proberen te steken en als dat niet lukt maar gewoon keihard in de gang gaan staan lullen. Het heeft een vernietigende werking op de prachtige, subtiele loops. Het eerste halfuur laat Basinski er twee tegen elkaar in lopen, een soort mistige synth en een vlekkerig uitgegumd blaasinstrument. Echt heel mooi, maar moeilijk op te focussen als je niet een van de gelukkigen aan zijn voeten bent. Gezien de animo voor deze show en Basinski’s wensen, had dit concert veel beter in de Grote Zaal van TivoliVredenburg plaats kunnen vinden, die op dit moment leeg staat. 

(Tekst gaat door onder de foto)

Gelukkig doet Wolfgang Voigt niet moeilijk over staande mensen. De Kompakt-voorman staat zelf vrijwel in het donker, voor een scherm met donkere bomen en planten. Het zijn sfeerbeelden waar verder niet al te veel aan te begrijpen is, waardoor je je volle aandacht kunt geven aan de muziek. Daar is vreselijk veel in te horen, ondanks dat het voor buitenstaanders misschien klinkt als een eindeloze, nauwelijks bewegende stapel synthesizergeluiden. De muziek van GAS - want zo noemt Voigt zich - is extreem traag en bevat sporen van melancholische klassieke muziek, die zorgvuldig gecounterd worden met atonale geluiden. Noise kun je het niet noemen, en de zachtjes pulserende bas suggereert dat we te maken hebben met iets levends, iets organisch. Op de vierkante millimeter speelt GAS met het volume, schuift hij elementen naar voren en weer terug, om in een uur te komen tot een microclimax waar menig techno-dj jaloers op zou zijn. 

Het getouwtrek bij de deur dat William Basinski over zich afriep, heeft één andere artiest slim weten te voorkomen. Het Le Guess Who? publiek scheidt zich deze avond grofweg in twee kampen: degenen die met een blokkenschema in de hand overal proberen binnen te komen, en degenen die al hun kaarten op Mount Eerie gezet hebben. Voor zijn show moest je namelijk reserveren. Liefhebbers van zijn werk hebben dat massaal gedaan, en zij weten dat het in deze setting nauwelijks anders kan zijn of dit wordt het hoogtepunt van het hele festival. Kun je nerveus zijn voor een optreden? Niet omdat je zelf het podium op moet, of veertien bent en voor het eerst naar Harry Styles gaat, maar omdat je zenuwachtig bent over wat je te wachten staat als publiek? A Crow Looked At Me, het album waarop Mount Eerie de ziekte en het overlijden van zijn vrouw in muziek probeert te vangen, is zo’n persoonlijke en intieme plaat dat je je vooraf zorgen maakt hoe Phil Elverum die ten gehore zal brengen in de Jacobikerk. En vooral: of je dat extreem persoonlijke verhaal en die vertolking aankan? Het antwoord: ternauwernood. Al bij opener ‘Real Death’ hou je het niet droog. Elverum speelt daarna een selectie van de beste nummers van ‘A Crow Looked At Me’ en verrast het muisstille publiek aansluitend met enkele nieuwe tracks die niet onderdoen voor alles op die prachtplaat. Hoogtepunt is een (excusez le mot) ‘inhaker’ over een festivaloptreden, een soort 2017-versie van ‘There’s A Light That Never Goes Out’, die Father John Misty en Weyes Blood name-checkt en minstens zoveel impact maakt als de emotionele mokerslagen op A Crow Looked At Me. Na dit optreden zit er weinig anders op dan naar huis gaan en je bed in kruipen: hier gaat niets overheen.

nu op 3voor12