Ik schrijf deze column in mijn atelier. In Den Haag. De plek waar ik schilderijen maak en liedjes schrijf. Dat atelier zit in een gebouw. Een gebouw vol ondernemende kunstenaars en muzikanten. De Helena. Midden in het centrum van Den Haag.
Ooit een school, nu een plek met kunstenaarsinitiatieven, muzikanten, een filmzaal, een restaurant en een buurtkamer.
Op het dak staat de Energiekas: een grote kas waar soms theatervoorstellingen plaatsvinden en waar van alles groeit.
Het uitzicht is prachtig. Kom eens langs!
In de zes jaar dat ik hier een atelier heb, is De Helena uitgegroeid tot een bijzondere plek. We huren het gebouw van de gemeente.
Maar daar komt verandering in.
De gemeente verkoopt het gebouw. Aan een exploitant. Over die verkoop is jarenlang vergaderd. Soms zat ik erbij. Met vieze verfvingers. En al die tijd, misschien zelfs al langer, is er eigenlijk maar één geïnteresseerde koper geweest: een filmzaal uit Rotterdam.
Aardige jongens.
De verkoop liep via een tender, een woord dat ik, los van het door Elvis gezongen Love Me Tender, niet kende. Een tender is een procedure die de gemeente moet volgen om een gebouw te verkopen: iedereen mag meedoen, zolang je aan de voorwaarden voldoet.
En hier wordt het vreemd.
Een voorwaarde die Haagse beleidsmakers hebben bedacht, is dat er filmzalen in het gebouw moeten komen. Met ondersteunende horeca. Waarom? Omdat uit onderzoek zou blijken dat Den Haag te weinig filmzalen heeft. Dat wist ik niet.
Ik ga niet zo vaak naar de film. En als ik ga, zitten er meestal maar een paar mensen in de zaal. Maar dat kan aan mijn filmsmaak liggen. Opmerkelijk is wel dat in dat onderzoek het Flora Filmtheater en het Omniversum niet in de telling is meegenomen.
Er is precies één partij die volledig aan deze voorwaarde voldoet:
de Rotterdammers.