Het is geen pensioen, maar prepensioen. Door de reorganisatie van afgelopen jaar houdt mijn functie op te bestaan en kwam het prepensioen aan de orde. Het was al wel langer duidelijk dat de functie manager poppodium zou komen te vervallen, maar voor mij kwam het uiteindelijk toch veel te snel. Het werd daardoor persoonlijk een moeilijk jaar voor mij. Ik heb er inmiddels ook wel vrede mee en kijk terug op 28 mooie jaren.
Het Bolwerk in Sneek bestaat dit jaar 50 jaar. Een mijlpaal met een cultstatus. Beroemd en soms een beetje berucht door heel Nederland. Ontelbare bands en artiesten hebben hier gespeeld. Van klein tot groot, van eigen bodem en ver daar voorbij. Nog véél meer bezoekers hebben hier uren vol herinneringen, sterke verhalen en onvergetelijke momenten ervaren. 3VOOR12/Friesland ging in gesprek met manager John Schut, a.k.a Mister Bolwerk over zijn jaren bij poppodium Het Bolwerk.
Hoe voelt dat pensioen voor je?
Wat ga je vooral missen binnen het Bolwerk?
De Bolwerk-vibe zoals ik altijd fijn vond, zal ik zeker gaan missen. Die Bolwerk-vibe is voor mij met muziek bezig zijn samen met anderen die dat ook leuk vinden. Het werken met de vrijwilligers en met elkaar ergens voor staan. Samen een mooie avond draaien, ervan genieten met elkaar en samen met het publiek. Dát is die vibe. Dat wij-gevoel.
Ik ga vooral de vrijwilligers missen. Samen mooie producties neerzetten, maar ook samen dingen ondernemen. Dat vond ik altijd heel fijn en belangrijk om te doen. We hadden bijvoorbeeld een Bolwerk-band, waarmee we op maandagavond met een aantal vrijwilligers allemaal covers speelden. Of we gingen aan het eind van het seizoen met de vrijwilligers een weekend naar een kampeerboerderij. Je deed gewoon veel meer met elkaar. Samen, voor elkaar. Dat is ook die Bolwerk-vibe.
De laatste jaren is het meer een locatie-vibe geworden binnen de organisatie. Het Bolwerk wordt meer onderdeel van een zakelijk model. Dat heeft natuurlijk te maken met het toekomstbestendig maken van de organisatie. Tegenwoordig moet er vooral commercieel geprogrammeerd worden, anders ben je niet levensvatbaar. Dat begrijp ik goed, maar in mijn optiek moet je niet vergeten dat je een poppodium bent met een eigen identiteit, ook al ben je onderdeel van een groter cultuurcomplex.
Was die Bolwerk-vibe een drijvende kracht voor jou?
Ja absoluut. Die “do-it-yourself" mentaliteit vond ik fantastisch. Daar herkende ik mij heel goed
Hoe kwam jij in dienst bij het Bolwerk?
In 1995 heb ik gesolliciteerd op de vacature van manager/programmeur Bolwerk, in de Volkskrant. Op 1 april 1996 ben ik hier begonnen. Toen was het Bolwerk nog meer een jongerenwerklocatie, maar ik kwam toen binnen als programmeur / jongerenwerker, waarmee dus al meer de focus op het podium-onderdeel kwam te liggen. Toen ik ingewerkt moest worden, was er een minimale periode voor overdracht. Hij had ook niks gearchiveerd, dus ik kon helemaal opnieuw beginnen. Even schrikken dus, maar ik ben toen maar gewoon begonnen. In die tijd was er geen e-mail of whatsapp, alles werd geregeld via bellen.
We hadden in mijn begintijd ongeveer 6 x per maand een concert. Die zes bandjes per maand waren wel direct de grote namen. Ik kwam direct in het “grote namen circuit” zeg maar. In die tijd werkte het ook heel anders dan nu. Tegenwoordig kijken hedendaagse acts en boekingskantoren naar hoe groot een zaal is, hoeveel er te verdienen valt en hoe de band zich wil profileren voordat ze beslissen of een band komt optreden. Het was toen veel meer mensenwerk; netwerk opbouwen, lange faxen lezen met data van acts en tourperiodes, en vooral veel bellen. Dan begon je het gesprek met “Hoe gaat het met je?”, dat leidde vaak tot gesprekken over alles behalve waarvoor je belde, waarna je aan het eind van een gesprek dan toch nog maar de bijna vergeten vraag stelde: “Oh ja, heb jij nog leuke bands beschikbaar?"
Wanneer werd het Bolwerk dan echt een poppodium?
In 2008 zijn we gaan verbouwen. Toen was voor ons wel de vraag "Hoe gaan we het nieuwe Bolwerk in de markt zetten?" We hebben daar toen veel meer over nagedacht, ook met het oog op onze toekomstige profilering. We werden namelijk onderdeel van het Centrum voor de Kunsten. Uiteindelijk zijn we 4 oktober 2009 heropend en kwamen we in het openingsjaar meteen met 100 producties naar buiten. Gekkenwerk eigenlijk, want dat kon helemaal niet. We werkten hier maar met z'n tweeën op kantoor en daarvoor eigenlijk te weinig productieleiders. Ik werd toen manager van het poppodium, inclusief de begeleiding van 40 a 50 vrijwilligers. Toen is het denk ik pas echt een poppodium ontstaan. Het was een hele intensieve periode, met de verbouwing en de heropening. Maar wel een mooie periode om mee te maken, waar ik vooral veel van heb geleerd. We haalden nieuwe doelgroepen binnen en het programma werd ook veel breder. In die tijd hadden we natuurlijk Romein en Iduna, maar die zalen waren iets kleiner. We zijn in die tijd van het kleinste naar het grootste Friese poppodium gegaan, maar inmiddels zijn er alweer grotere locaties zoals Neushoorn.
Waar haalde jij je gevoel van de juiste acts boeken vandaan?
Wij konden toen veel vrijer boeken, omdat we minder commerciële prestatiedruk hadden. En door de jaren heen doe je natuurlijk kennis van de doelgroep en veel connecties in het wereldje op. Op ervaring kon ik de juiste bands wel uit het aanbod selecteren. We zitten hier in Sneek, niet in Amsterdam, dus je moet heel goed je doelgroep in het oog houden. Het Bolwerk had een nationale reputatie op het gebied van punk en hardcore, dus die doelgroep wist ons goed te vinden. Dat gold ook voor blues- en bluesrock bands. Heideroosjes, Osdorp Posse en ook bijvoorbeeld Beef hebben hier heel vaak opgetreden. Maar het eerste concert van Krezip was bijvoorbeeld ook in Het Bolwerk. Ik hoop ontzettend dat dat de komende 10 jaar ook zo blijft. Dat je kan blijven terugkijken op unieke concerten en dat een band niet ook op 20 andere podia in Nederland heeft gestaan in een tour. Bijzondere herinneringen maken en unieke avonden creëren, dat maakt het speciaal. Je moet je wel blijven onderscheiden als poppodium.
Wat zijn voor jou de mooiste herinneringen aan die 30 jaar Bolwerk?
De beginperiode was ontzettend leuk. Dat was echt ontdekken. Natuurlijk was dat soms lastig, maar er was veel meer mogelijk en er lag een wereld voor mij open. De periode die ik ook ontzettend leuk vond, was die van de overgang van het ‘oude’ Bolwerk naar het ‘nieuwe’ Bolwerk. Hoe gaan we dat realiseren? Wat willen we, wat zijn de ambities? Hoe gaan we dat voor elkaar krijgen? Die strategie uitzetten, vond ik heel leuk. Maar dit laatste jaar is natuurlijk ook leuk om te doen met de grotere bezoekersaantallen. Er kwamen dit jaar bijna 20.000 bezoekers naar Het Bolwerk. Dan is het echt leuk om te zien waar we jaren aan gewerkt hebben. Dat je uiteindelijk toch een groter publiek trekt, zonder een partycentrum te worden. Dat je prikkelend genoeg blijft in de programmering om nieuw publiek te blijven trekken. Ik vind het ook ontzettend leuk om met het publiek in gesprek te gaan. Vooral nu, met al die nieuwe bezoekers.
Wat betreft bands, dat zijn er een heleboel. Maar wat ik nooit zal vergeten, is The Damned. Een cult punkband, die nog steeds bestaat trouwens. Die stonden hier in 2001, in het kader van het 25 jarig bestaan, op een donderdagavond. Dat zijn mijn iconen en die stonden ineens toch voor mijn neus. Ook de Staat, die we anderhalf geleden hadden, vond ik werkelijk fantastisch. De productie, licht, geluid en de vibe op het podium en in de zaal. Alles klopte en het kwam bij hun show heel goed samen. Nu heb ik natuurlijk heel wat bandjes gezien in de afgelopen jaren, maar bij de Staat was ik echt onder de indruk.
Hoe zou jij de toekomst voor het Bolwerk voor je zien?
We merken dat producties veel duurder zijn geworden en hierdoor is er minder ruimte voor kleinere, opkomende acts. Het is ook niet makkelijker geworden om een balans te bieden tussen commerciële en niet commerciële acts. Het gaat toch vooral om de grote namen. Dat is helaas wel een beetje de tijdgeest van tegenwoordig. Er moet nu veel meer ‘gestoeid’ worden met de programmering, want de agencies kijken toch vooral naar zaalcapaciteit. Dan komen we niet in aanmerking voor een act, omdat onze capaciteit net te klein is. Dus je moet je toch afvragen of we misschien moeten verbouwen om meer capaciteit te krijgen. Misschien kun je meer acts krijgen wanneer je een capaciteit hebt van bijvoorbeeld 700 bezoekers, maar maar daarmee verlies je ook weer aan intimiteit en wordt de onderlinge concurrentie groter. Het Bolwerk is een relatief kleine zaal en dat maakt dat het een bijzondere sfeer heeft. En er zijn best nog wel acts in Nederland die juist daarom wel naar Sneek blijven komen.
We moeten ook publiek blijven aantrekken en daardoor is die cultstatus wel minder geworden. Omdat je toch graag met enige regelmaat een volle zaal wilt hebben en dat gebeurt nu vooral met de bekende acts en de tribute-acts. Die zien we de laatste jaren ook enorm opkomen, dat is wel een landelijke trend. Dat levert veel publiek op en daardoor zou er meer ruimte moeten ontstaan om te investeren in nieuwe opkomende acts. Maar ik zou toch het liefst specifieke doelgroepen blijven bedienen. Die doelgroepen die juist niet bij Iduna en Neushoorn komen. Dat zou denk ik kunnen met een kleine zaal waar je kleinere acts kunt boeken. Natuurlijk hebben we de Noorderkerkzaal, maar dat is toch zittend publiek en dat is een geheel andere beleving.
Blijf je na januari wel een beetje in de popcultuur actief?
Ik blijf natuurlijk nog steeds naar concerten gaan in ‘mijn’ Bolwerk en ik kan nu ook vaker bij een ander podium een show gaan kijken. Wat ik een mooi initiatief vind, is Beatriks. Die draait alleen op vrijwilligers, waardoor er meer naar inhoud wordt gekeken dan naar overhead. Dat vind ik een mooi principe. Ik wil in de toekomst zelf ook wel vrijwilligerswerk gaan doen, maar ik weet nog niet wat. Ik wil graag met mensen blijven werken, maar eerst niet bij een poppodium. Dat blijft dan toch te dicht bij mijn werk. Als ik af en toe wat kan betekenen in een bijvoorbeeld klankbordgroep dan zou ik dat leuk vinden. Maar concerten bezoeken blijft wel op nummer 1 staan.