Begin deze eeuw was Spinvis nog de grote onbekende waarbij de mailbox zo leeg was als de herfstige straten van Nieuwegein. In alle rust sleutelde hij aan klassiekers in wording als ‘Bagagedrager’ en ‘Voor Ik Vergeet’. En nu, in 2020, was de agenda eveneens blanco en kon De Jong met de wereld op afstand het werk afmaken waaraan hij al begonnen was. Het is dat de plaat inhoudelijk al klaar was, anders hadden we in ‘Picasso’ zelfs een quarantaine-verwijzing gehoord: ‘Ze danst in de keuken, in haar pyjama, fabelachtig eenzaam als de nacht.’ Ze laat een kaarsje branden in de kerk voor haar collega’s: ‘Ze gelooft niet zo erg in wonderen, dus ze bidt niet echt.’ Los van de opgedoken actualiteit is het vooral een onvervalst Spinvis-personage, met haar kleine achtergebleven leven, de kat aan haar zijde.
Op het debuut kon De Jong zijn personages nog een fietser laten doodrijden of ‘neem dan godverdomme geen kind, dan’ laten uitroepen, maar nu benadert Spinvis ze met mildheid en genade. Ze hebben het al zwaar genoeg, met hun liefdesverdriet, met hun onbereikbare dromen van Hollywood of hun onpersoonlijke leven als stuntman: ‘Ik ben iemand anders, ik ben weer veranderd in kopie van kopie van kopie.’ Het beste wat De Jong ze kan bieden is mededogen in één van de prachtliedjes op 7.6.9.6. Die heeft hij met geduld ingevuld. Zagen we bij het debuut muzikaal een man op zolder voor ons, nu is het huis groter, loopt de WeTransfer binnen. Dat leidt tot een rijk instrumentarium, boordevol grote maar vooral ook kleine ideeën die elk liedje weer anders maken dan de rest van het oeuvre. Zoals het zenuwachtige drumbodem van ‘Paon’, de afwisseling in zang in het uptempo ‘Hollywood.’