De Staat: ‘Dit gaat niet over de toekomst, het gaat over nu’
Over oprukkende autocraten en verzet tegen AI

De Staat is terug met een titelloos zevende album. Dat is opmerkelijk, maar niet zonder betekenis: de naam van de band is meer van toepassing dan ooit. Torre Florim kruipt als frontman in de huid van de volksmenner, en onderzoekt hoe machtig die is. ‘De massa, de uniformiteit, de eindeloosheid.’
Waar te beginnen? Bij het begin of bij het einde? Het begin, daar valt van alles over te zeggen, maar laten we dat voor nu even parkeren, en beginnen bij de laatste tonen van De Staat, het zevende album van de gelijknamige band. Of beter nog: een paar minuten ná de laatste klanken van ‘Faith’, het laatste liedje. We hebben het hier over een goede oude gewoonte uit het cd-tijdperk: de hidden track. Nu de cd weer wat van zijn glans terug heeft, is ook de hidden track - niet op de tracklist, na een paar minuten stilte, alleen op cd en vinyl - weer helemaal terug. Maar wat horen we hier in godsnaam? Een crooner? Een big band? Jaren vijftig-jazz? Is dit, het zal toch niet?...
‘AI’, lacht Torre Florim in De Basis, de oefenruimte slash thuishonk van de Nijmeegse rockband. Het is gevestigd in het met graffiti beschilderde voormalige pand van poppodium Doornroosje en oogt als een oefenruimte zoals je die verwacht. Overal instrumenten, snoeren, decorstukken, en een grote tafel waar je de band zo voor je ziet, met in het midden een schaal broodjes en de toekomstplannen. En nee, daar stond AI niet op als opportunistische kans, maar als onderwerp om kritisch te belichten.
'Wat je daar hoort, is een cover van 'Freedom'’, zegt Torre Florim, ‘een nummer op het album dat gaat over AI. Ik dacht: Wat nou als je zo’n nummer vervolgens door een AI laat coveren? Ik heb meerdere versies gemaakt, heb geprobeerd om het meer te laten shredden. Voor mezelf vind ik die Suno-dingen niet zo interessant, ik zie daar niet helemaal de lol van in. Het leukste vind ik als er een soort glitch ontstaat, bijvoorbeeld als per ongeluk een stem en een synth met elkaar morphen. Het nummer gaat trouwens over AI in het algemeen, niet per se over muziek. Over hoe gevaarlijk het is als we het verschil niet meer zien tussen echt en nep. Die song heb ik twee jaar geleden geschreven. Toen voelde het nog als een dystopie. Maar hoe meer ik met dit album bezig was, hoe meer ik besefte: dit gaat niet over de toekomst, het gaat over nu.'
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.
Oprukkende autocraten
Het is inderdaad een van de vele dystopische taferelen die De Staat ons voorschotelt op het opvallend genoeg titelloze album. Dat zie je niet vaak. Een debuutplaat of een tweede plaat wil nog weleens geen titel hebben, maar een zevende? Dat kan niet anders betekenen dan dat het bewust is. Dat de naam ‘de staat’ meer van toepassing is dan ooit. En dat is ook zo. De Staat barst van de maatschappijkritiek en beelden van despoten die hun klauwen naar ‘ons mensen’ uitsteken. Terug naar het begin dan maar? Het album opent met ‘The King’, een spijkerhard geproduceerd nummer met een marsritme en een tekst over een oprukkende autocraat. ‘The king is dead, long live the king.’
‘Ik zat in een experimenteermodus’, vertelt Florim. ‘Hoe extreem kan ik dit laten voelen en klinken? Uiteindelijk zit er op de eindmix een distortion, iets wat ik nog nooit eerder heb gedaan. In het laatste stuk van het nummer wordt die opeens harder gezet. Daardoor krijg je het gevoel dat het niet meer goed gaat. Het is niet letterlijk harder, maar je hebt het ‘idee’ dat het harder wordt.’
Je zou kunnen zeggen dat ‘The King’ een rare keuze is om als single naar voren te schuiven, maar De Staat weet inmiddels wel beter. De band heeft zo nu en dan kleine radiohitjes gescoord, maar hun oeuvre rust toch het meest op hun hardste en meest compromisloze nummers. Wie had ooit gedacht dat het repetitieve ‘Witch Doctor’ (van hun derde album I_Con) hun meest gestreamde nummer zou worden? En ook publiekslieveling ‘KITTY KITTY’ van het album Bubble Gum is bepaald geen softe ballade. De andere nummers die de band al naar voren schoof van dit zevende album - ‘Glory’ en ‘Underdog’ - hebben ook die rauwheid die zo eigen is aan De Staat. Wel opvallend: ‘Glory’ begint met een soort gospel-achtig koorzang (waarna Torre als een soort speechende politicus gaat blaffen) en ‘Underdog’ begint met een veel lichtere kopstem (‘Fix your eyes on the boys at the top’), die gecounterd wordt door weer zo’n zwaar distorted riff.
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'spotify'-embed.
De jongen en de man
Hoe sterk de invloed van de muzikale omlijsting is, merk je als je de twee versie van ‘Freedom’ naast elkaar legt. Het origineel van De Staat is net zo giftig als de rest van de nummers, terwijl je in de croonerversie van hetzelfde liedje geks genoeg iets van hoop proeft.
Oh what a joy
Your hands off the wheel
For practically nothing
We can be free
‘Dat was wel degelijk mijn intentie’, zegt Florim. ‘Het nummer gaat voor mij over zowel de belofte als de bedreiging van kunstmatige intelligentie. "What is going on? Nothing is real", dat klinkt sarcastisch, zeker. Maar het heeft ook iets van: oké, als we straks echt niet meer weten wat echt is en wat nep, of als die termen sowieso hun betekenis verliezen, dan kan ik me ook een situatie voorstellen waarin je denkt: ik laat het allemaal los, ik ben nu gewoon hier.’
Kunstmatige intelligentie en oprukkende machten zijn topics die in steeds meer liedjes opduiken dezer dagen, niet alleen in die van De Staat. In die zin ziet Florim zichzelf links en rechts ingehaald worden op een terrein waar de band al jaren actief is. Iedere muzikant ‘wil’ en ‘moet’ er iets mee. Tegelijk probeert hij op dit album ook een andere kant in zichzelf aan te boren. Zo staat er een interessant tweeluik op het album dat ‘The Boy’ en ‘The Man’ heet. De tweede is het meest overzichtelijk, want dat bestaat uit slechts één regel tekst, die als een mantra herhaald wordt: ‘Fuck around and find out’. ‘The Boy’ is complexer en gevoeliger. Het is een gesprek tussen Florim (40 jaar en sinds twee jaar vader) en zijn jongere zelf.

‘Ik denk dat ik in mijn jonge jaren heel veel muren heb opgebouwd om kwetsbaarheid weg te duwen, of emoties te dempen. Dat was handig op de middelbare school, want anders kon je gepakt worden. Die dingen zijn nu alleen niet meer handig, omdat er een emotioneel deel van mij onderontwikkeld is geraakt. Met het liedje probeer ik die jongen terug te vinden, van vóór de middelbare school: open, joyful, empathisch. Ik zing het vanuit mij als man, zoekend naar die jongen. Die deuren wil ik weer openzetten, ook als vader nu.’
Het is een onverwachte emotionele kern in het album, want wat Florim hier doet, doet ie eigenlijk zelden: hij zet het licht op een maatschappelijk probleem, en zoekt de verklaring in zichzelf. ‘Ik denk dat er bij heel veel mannen stiekem iets aan de hand is, en dat dat misschien wel een van de grootste problemen in de wereld is. Dat 'fuck around, find out' is eigenlijk een enorme simplificatie van een emotie. Het feit dat je makkelijk gekleineerd kunt worden, en dat je dat dan ook terugkrijgt. Ik denk dat je dat ook ziet bij veel mannen op hoge posities.’
Niet alleen Florim bevindt zich in deze levensfase, dat geldt natuurlijk voor zijn hele band. Twintig jaar zijn ze al bij elkaar, in ongewijzigde bezetting. Dat is bepaald geen vanzelfsprekendheid, beseft de zanger zelf ook. De Nederlandse popmuziek - zeker de alternatieve kant van het spectrum - is dun bezaaid met artiesten die al zo lang hun vak kunnen uitoefenen. ‘Pop wordt gezien als een young man's game. Dat is een van de hoofdredenen dat veel artiesten op een gegeven moment stoppen, omdat het simpelweg niet meer haalbaar is. Dat vind ik jammer, want ik denk dat de verhalen van mensen die wat ouder zijn juist heel interessant zijn om in popvorm te horen. Maar je hebt dan wel een publiek nodig, een basis om vanuit te opereren. Dat we dat nu wél hebben, vind ik heel gaaf. Ik hoop dat het een culturele omslag betekent.’
‘Als ik terugdenk aan de beginperiode: ik woonde nog bij mijn vader, de rest woonde in studentenkamers van twee bij twee, gewoon om het allemaal mogelijk te maken. De band was toen alles, en we waren de hele tijd doodmoe. Dat kunnen we nu niet meer doen, met kinderen. Het feit dat we nu een publiek hebben en dat shows meteen uitverkocht zijn, zorgt er wel voor dat het kan, maar er zit ook meer druk op, want we moeten op een bepaald niveau blijven, anders is het voorbij.’
Het helpt natuurlijk wel dat De Staat als een van de eerste popartiesten een meerjarige subsidie kreeg, wat een stevig fundament legt onder de vernieuwing die de band blijft zoeken. Die vernieuwing zit hem niet alleen in de muziek, maar ook in concept-denken en scenografie. Oftewel: nadenken over wat een concert is, en wat het kan zijn. Eerder al deed De Staat dat met ‘in the round shows’, en met het concept Red/Yellow/Blue, waarbij het de songs uit hun complete oeuvre uiteen lied vallen in verschillende moods. Voor dit nieuwe album werkt de band met ontwerper en lichtkunstenaar Boris Acket, die we ook kennen van het befaamde golvende doek van Fred Again..’s recente tour. ‘Op een gegeven moment was ik eigenlijk verder met de show bezig dan met het album. Boris, die de scenografie ontworpen heeft, zei op een gegeven moment: moet die show niet gewoon 'De Staat' heten? Toen dacht ik: de naam ligt er eigenlijk al.’

‘Toen wij begonnen waren we gewoon een rock-'n-rollband. Dat is langzaam veranderd, omdat het kon. In 2016 zijn we voor het eerst met visuals gaan spelen. Dat was toen nog houtje-touwtje en superduur, maar wel met het idee: dan kunnen we iets bijzonders maken. Het is leuk om te zien hoeveel er nu op dat vlak gebeurt. Een podium is niet meer gewoon wat monitors en versterkers. Wie ik inspirerend vind? David Byrne, zijn concert op Down The Rabbit Hole vind ik nog steeds een van de meest spectaculaire shows ooit. Ik heb ook Rosalía gezien, nog voordat ze helemaal explodeerde. En FKA Twigs vond ik ook zo'n voorbeeld: zij wisselt tussen live zingen en niet-zingen. Het voelde meer alsof ik naar een moderne dansshow op een festival zat te kijken. Dat vond ik heel vet.’ Hij vervolgt: ‘Maar er zijn ook genoeg voorbeelden waarbij juist geen duidelijke keuze wordt gemaakt, en dat vind ik jammer. Meestal is er gewoon geen budget om een band alles live te laten spelen. Alleen: als dat niet gecompenseerd wordt met iets visueels, verveel ik me sneller.’
Torre Florim, hij is al jaren een van de meest gelauwerde frontmannen van de Nederlandse popmuziek. En dan niet een van het type dat transparant op het podium zijn eigen ziel uit staat te storten, maar een die rollen aanneemt. De frontman als volksmenner, als demagoog, als alphaman met een klein hartje. ‘Het lijkt een beetje op wat ik ook bij militaire parades voel’, zegt hij. ‘Die hebben altijd iets heel angstaanjagends en tegelijk iets heel moois. De massa, de uniformiteit, de eindeloosheid. Een frontman lijkt daar op een bepaalde manier heel erg op. Aan het eind van een show, als iedereen springt en klapt, heb je iedereen meegenomen. Ik vind dat allemaal hetzelfde mechanisme. Het staat me tegen, hoe wij mensen daarin meegenomen kunnen worden. Maar het is ook mooi. In een popshow wíl je dat juist, want dan leidt het tot iets goeds, een gevoel van saamhorigheid.’