The Necks: ‘Soms hoor ik dingen uit die piano komen die ik zelf niet begrijp’
Australisch trio verdwaalt al veertig jaar in zijn eigen muziek

De meest bijzondere boeking van Draaimolen 2026: het Australische trio The Necks. Al sinds de jaren tachtig spelen ze lange, meanderende improvisaties waarin piepkleine veranderingen uiteindelijk complete aardverschuivingen worden. Komend weekend krijgt die vreemde, hypnotiserende muziek een plek tussen de elektronische acts. Pianist Chris Abrahams: ‘Ik voel me vereerd dat we mensen zo diep kunnen raken.’
‘Of we ooit op een dancefestival hebben opgetreden?… Nee, ik geloof het niet’, zegt pianist Chris Abrahams (65) met een lachje. Oh ja, twaalf jaar geleden stond The Necks wel een keer in de Berlijnse club Berghain, weet hij nog wel, op dat imposante Function One-geluidssysteem waarop normaliter doordenderende techno klinkt. Gniffelend: ‘Het is niet zo dat we zomaar op een zaterdagnacht kwamen binnenwandelen, hè? We speelden op een bijzonder festival voor experimentele muziek, MaerzMusik. En we hadden een geweldige avond, die PA is fantastisch.’
Zo legt Abrahams in een paar zinnen hoplakee uit wat de essentie is van het voor velen nogal ongrijpbare The Necks: ‘We zijn improvisatoren. De muziek leidt ons naar de plekken waar zij naartoe wil. Dat is heel erg afhankelijk van de dingen waar we het nu over hebben: het soundsystem, de context waarin we spelen, de reactie van het publiek, de akoestiek van de ruimte. En op Draaimolen dus het geluid van het het bos waar we spelen.’
Dat doet het trio uit Australië (met ook drummer Tony Buck en bassist Lloyd Swanton) nu al een kleine veertig jaar: een van hen begint te spelen, de rest volgt simpelweg en zo ontvouwt zich iets bloedmoois. Het oeuvre van The Necks is schier eindeloos: begin nu te luisteren, en over 24 uur ben je nog bezig. Debuutalbum Sex (1989) is één albumlange hypnotische jazzgroove. Op Hanging Gardens (1999) lieten ze zich inspireren door Squarepusher en Photek. Klassieker Aether (2001) is meditatief en verstild, maar zit wel degelijk vol studio-gefreak. Body (2018) begint nog als vintage The Necks, maar krijgt na 25 minuten een stevige krautrock-groove. Hun laatste plaat Disquiet (2025) is een monumentale release, vier stukken verspreid over 3 uur en 9 minuten.
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.
Vaak (ook op Draaimolen) doen ze live twee sets van ieder 80 minuten, de eerste verstild, de tweede steeds harder en cathartisch. Het is geen jazz te noemen, geen ambient, geen minimal, ook niet per se avantgardistische muziek. En toch ook weer alles tegelijk. Ofzo? Woorden schieten eigenlijk tekort, vindt ook Abrahams.
Velen hebben wel degelijk geprobeerd om The Necks in woorden te vangen, hoor. The New York Times riep The Necks ooit uit tot ‘the greatest trio on Earth’, The Guardian noemde hun shows ‘the stuff of legends’ en ook een zekere 3voor12-muziekjournalist beleefde begin dit jaar een transcendentale ervaring toen The Necks in het Muziekgebouw speelde. Het is kortom de meest eigenwijze boeking van Draaimolen dit jaar, een dancefestival dat toch al bekendstaat om eigenwijze boekingen.
Hypnotiserende herhaling

En toch, toch kun je wel degelijk stellen dat The Necks een logische plek verdient op een dancefestival: het draait hier natuurlijk om piepkleine veranderingen die na twintig minuten wel enorm voelen, als verschuivende tektonische platen. Hey, opeens ziet het landschap er totaal anders uit! ‘Mensen hebben ons wel vaker vergeleken met de ambient van Brian Eno, of met krautrock’, legt Abrahams uit, ‘maar mijn idee van minimalisme komt eerder uit een andere hoek: de minimal van Philip Glass en Steve Reich, en de modern jazz en Afro-Amerikaanse traditie. Van daaruit kwamen we bij funk en soul terecht, bij reggae, en al die dingen vormden onze ideeën over herhaling.’
Hij herinnert zich die keer dat hij en Tony Buck naar Jamaica vlogen in de jaren tachtig, toen daar de dancehall net was ontstaan. Ze zagen er een zes uur durend concert van Yellowman, hoorden alsmaar repetitieve ritmes zoals ze nog nooit hadden gehoord. ‘Het voelde alsof het hele eiland van dat ritme doordrongen was. Dat was echt buitengewoon. Ik kan het nauwelijks onder woorden brengen. Ik voelde in mijn hele lichaam dat ik op een soort magische muzikale plek terecht was gekomen.’
Nog zo’n bouwsteentje voor The Necks: ‘De pianist Mal Waldron. Een prominente speler in de jaren vijftig en zestig, hij speelde met Eric Dolphy en Billie Holiday. Hij kon frases zo lang herhalen dat ze hypnotiserend werden en op een gegeven moment boven de ritmesectie leken te zweven. Ik vond dat heel hallucinerend.’ Maar eigenlijk kun je The Necks alleen nog maar vergelijken met The Necks. ‘Inmiddels zijn we wat verder verwijderd geraakt van het spelen van duidelijke, rechttoe-rechtaan vierkwartsritmes, van herkenbare genres. We zijn veel meer een polyritmische richting ingegaan.’
Een gouden periode in Sydney

The Necks ontstond in het Sydney van de jaren tachtig, toen daar een levendige jazzscene was, een hele wereld vol experimentele punk en rock, en een broeiend underground-circuit van kraakpanden. ‘Het was de gouden periode van een hele gezonde scene. De huren waren goedkoop, je kon op één avond gerust vier concerten zien op verschillende plekken. Je kan het je nu nauwelijks voorstellen, want de stad is inmiddels zó duur, het is ontzettend moeilijk om er een podium draaiende te houden.’
Met Lloyd Swanton speelde hij in The Benders. ‘Een soort post-Coltrane-jazzkwartet dat modale jazz speelde.’ Tony Buck kende hij al sinds de middelbare school. Samen begonnen ze The Necks: debuutalbum Sex was gebouwd rondom een baslijn van een song van The Benders, maar ze gooiden de melodie weg en behielden alleen de groove en sfeer. Ze wilden ontsnappen aan de regels van de jazz. ‘We waren alledrie toe aan iets wat niet draaide om de vorm die we tot dan toe steeds hadden gespeeld: je speelt een melodie, vervolgens doet iedereen een solo, dan speel je de melodie nog een keer, iedereen applaudisseert en je begint aan het volgende nummer.’
‘Toen The Necks ontstond, zochten we naar een manier van spelen die daar niet om draaide. We speelden soms muziek die voelde als één enorme introductie tot iets. Alleen kwam dat 'iets' vervolgens nooit. En zodra we zo begonnen te spelen, merkte ik dat ik in een soort zone terechtkwam die ik tijdens het musiceren nog nooit had ervaren. Ik luisterde naar wat ik speelde en reageerde vervolgens op wat ik zojuist had gehoord. Langzaam. En er was geen enkele druk om virtuositeit te etaleren. Je hoefde niemand te overdonderen met een soort oppervlakkige technische vaardigheid. Je kon ontspannen en iets heel eenvoudigs spelen, iets heel repetitiefs. Het meditatieve aspect daarvan leidde tot buitenlichamelijke ervaringen. Het gaf me een compleet nieuwe manier om te voelen wat muziek eigenlijk is. Waarom maak ik eigenlijk muziek? Daar begon ik over na te denken. Dat waren voor mij ontzettend opwindende ideeën.’
Ook het publiek snapte al gauw wat dit trio wilde neerzetten. ‘Ze voelden dat dit een manier was om ergens aan te ontsnappen. Het ging niet om: 'Wauw, die gast kan echt snel spelen.' Of: 'Wauw, wat een techniek!' Mensen waardeerden dat het draaide om sfeer en om het bereiken van een meer meditatieve toestand. Het ging niet om een snelle kick.’
Niet experimenteel maar emotioneel
Abrahams wil niet ‘vaag’ of ‘spiritueel’ klinken, maar het intrigerende van zo’n optreden van The Necks: de muziek komt gewoon, het gaat zelf een richting op en de drie muzikanten volgen simpelweg. ‘We luisteren naar de muziek en genieten ervan zoals een publiek dat doet. Het enige verschil is dat wij toevallig ook degenen zijn die haar spelen. Soms weet ik niet eens: maak ík dat geluid? Is dat een bekken? Is dat Lloyds strijkstok?’
En die muziek ondergaan, dat is een beetje zoals het kijken naar wolken. Je kan er allerlei vormen in zien. Muziek zonder vastgelegde betekenis laat ruimte voor de luisteraar, weet Abrahams. Regelmatig krijgen ze achteraf dan ook hele emotionele reacties. Dat merkte ik zelf eerder dit jaar in het Muziekgebouw Amsterdam. Twee jaar daarvoor zag ik The Necks nog samen met mijn vader, die inmiddels is overleden. In het Muziekgebouw, met mijn ogen dicht, voelde ik tijdens het concert opeens zijn nabijheid. Abrahams knikt. ‘Ik voel me vereerd dat we mensen zo diep kunnen raken. Voor mij is muziek iets emotioneels. Het is voor mij nooit iets intellectueels geweest. Ik vind The Necks eigenlijk ook niet bijzonder 'experimenteel'. Volgens mij zit er juist een heel sterk emotioneel element in. Soms kom ik tijdens het spelen op plekken terecht waar ik dingen uit die piano hoor komen die ik zelf niet begrijp. En ik hoop dat ik die opwinding kan delen met een publiek dat die geluiden op hetzelfde moment ervaart als ik.’
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.