A La Carte met Marcel Veenendaal (DI-RECT): ‘Het was de hel, maar het was beautiful’

Over string art, stress en een extra lang outro voor zijn broer

Marcel Veenendaal A La Carte
  • Atze de Vrieze

Vanaf zijn toetreding tot DI-RECT voelde Marcel Veenendaal als logische frontman van de band. Maar stiekem moest hij best lang knokken voor zijn plek. Dat vertelt hij in het A La Carte interview: zeven gangen, zeven vragen, die verder leiden tot verhalen over handwerk, handtekeningenjacht en de rouw over zijn overleden broer.

Vrolijk stapt hij me al tegemoet, Marcel Veenendaal, frontman van de meest consistente rockband van Nederland. Ruim vijfentwintig jaar al, waarvan zeventien met hem. ‘Hé, ik zag je al de straat in fietsen’, zegt hij, terwijl ik nog op sta te zoeken op welk nummer het ook alweer is, Marcels studio op een steenworp afstand van Paleis Noordeinde. Een royale ontvangst. De zanger leidt me de studio binnen, die hij deelt met meerdere creatieve vrienden, waaronder schilder Jamel Armand, die de laatste jaren al het artwork voor de band maakte. De studio zit in een oude paardenslachterij uit de 18e eeuw, en Marcel's studio zit voorbij een bak vinyl en een old school arcade met een smal draaiend trappetje naar beneden. ‘Of ik nou een beat maak, een akkoordenschema of een hele compositie: dat gebeurt hier.’

Aperitief: Wat is je schermtijd?

‘Ik ben bang dat die momenteel hoog is, door het schaken, wat ik op chess.com doe. Ik ben volgens mij nu drie potjes tegelijk aan het spelen. Even kijken… Oh, ik zie dat ik alweer moet zetten tegen iemand uit Polen, tegen iemand uit Brazilië, en tegen een vriendje van me. Mijn streak zit nu op 170 dagen. Ik heb geen vette rating of zo, maar ik vind het gewoon heel leuk. It's fun to win, it's okay to lose.’

‘Ik heb weinig apps op mijn telefoon, maar eentje gaat er echt nooit meer vanaf. Radiooooo, met vijf o's. Je krijgt een kaart van de wereld en een tijdlijn van 1900 tot nu. Dan kies je je mood: fast, slow of weird. Je kiest een land en een tijd, en dan draait hij muziek. Voor je het weet zit je weken in Algerije. Dat vind ik ook altijd heel leuk om in de taxi te doen, als ik van een optreden of een borrel kom. Je komt niet vaak Nederlandse taxichauffeurs tegen. Soms vraag ik of ie bluetooth heeft, of ik erop mag. Dan vraag ik vaak waar zijn ouders geboren zijn. Gedurende het gesprek probeer ik erachter te komen hoe oud hij is. Dan ga ik altijd één jaartje terug, en dan zeg ik: waarschijnlijk lagen je ouders hiernaar te luisteren toen ze jou aan het maken waren. En dan is daar het lachje. Dan zie je ze helemaal sprankelen.’

‘Zo kom je zelf ook bij heel veel verschillende soorten muziek. Als ik zelf muziek luister, is het vaak in een taal die ik niet versta. Ali Farka Touré bijvoorbeeld, daar kan ik weken naar luisteren. Of Nusrat Fateh Ali Khan, die Pakistaanse zanger. Maar ook Francis Bebey vind ik heel vet, vooral zijn plaat Forest Nativity. Je hebt ook zo'n band, Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou. Die speelden jaren terug een keer in de Tolhuistuin, en toen dacht ik: daar moet ik heen. Dat was de enige keer dat ik echt de groupie heb uitgehangen. Ik kan je zo die plaat laten zien, hij staat helemaal vol handtekeningen.’

Amuse: Wat is je favoriete scheldwoord?

‘Lepra, denk ik. Dat zeg ik heel vaak. Heerlijk! Het is een ziekte waarbij ik het gevoel heb dat ik er niemand in mijn directe omgeving mee kwets, maar het is wel heel ernstig. Dat gaat heel ver terug, echt tot mijn tienertijd. Ik heb het van een vriend van mij, Sjoerd, die nog altijd een hele goede vriend van me is. Ik groeide op in Ede, in de Maandereng. Daar had je op een gegeven moment een wijk die nog helemaal uit de klei getrokken moest worden. Daar gingen we klimmen op bouwplaatsen, of we bouwden een woonkamer in een container. Hij is vier jaar ouder dan ik. Niet zoveel, maar als je twaalf bent en iemand is zestien, dan is dat een wereld van verschil.’

Hoe werden jullie vrienden?
‘Hij woonde bij me in de straat, en ik wilde altijd met hem mee. Hij noemde me altijd ‘pik omhoog’, nog steeds. Ik heb niet veel vrienden uit die tijd hoor, sowieso kan ik mijn echte vrienden op één hand tellen. Sjoerd en ik zijn elkaar ook weleens een tijd kwijt geweest, life happens. Jij bevindt je hier en ik zit daar, maar we leven onder dezelfde sterren. Op een gegeven moment kwam hij weer terug in mijn leven, ik denk iets van zes jaar geleden.’

Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.

cookie-instellingen aanpassen

Voorgerecht: Wat heb jij gemaakt dat mensen niet van je verwachten?

‘Ik ben iemand die een jaar iets heel intensief doet en daarna niet meer. Gewoon omdat ik dan het gevoel heb dat ik het heb uitgespeeld. De werken die je hier ziet hangen, met die spijkers: dat is string art. Die spijkers hamer ik allemaal één voor één in het hout, en dan kleur ik het in met wol. Dat begon eigenlijk met de vloer hier. Ik had één zo'n plaat over, en toen dacht ik: ik ga wat maken in plaats van een boek lezen. Ik zag weleens van die mandala's voorbij komen die helemaal met draad werden gedaan, met geometrische vormen. Vond ik wel leuk, maar ik wilde het net anders proberen. Op een gegeven moment was ik bij werk nummer veertien en dacht ik: oké, nu heb ik dit wel gehad.’

‘Toen ben ik met andere wol aan de gang gegaan. Het begint gewoon met een kluwen, en dan moet je prikken met een naald. Aan die naalden zitten weerhaakjes, en zo wordt het langzaam steeds steviger.’

Dit ziet eruit als een half schaap.
‘In principe is dat het ook. Het begon afgelopen kerst, op vakantie. Mijn buurvrouw was mee, we waren met wat vrienden, en zij was daar aan het prikken. Ik dacht: ik ga er lekker bij zitten. Lekker laagdrempelig beginnen, dus ik had een Mr. Hankey gemaakt, die drol van South Park, met een kerstmuts. Toen dacht ik: wat kan ik er nog meer mee maken? Toen ben ik deze poppen gaan maken, en die maskers die je boven aan de muur zag hangen. Ik vond die huisvlijt, dat maken en creëren, heel erg leuk. Een beetje als tegenhanger van wat er vandaag allemaal vóór je gemaakt wordt.’

Handwerk. Had je dat altijd al? Op de basisschool, bij handvaardigheid?
‘Nou. Ik ging van ‘best wel een oké leerling’ naar dat ze tegen mij zeiden: 'Marcel, ga jij maar een vak leren.' Dus toen heb ik als kapper gestudeerd. Ik werk graag met mijn handen. Als ik met mijn kids in een zandspeeltuin ben en er staat een waterpomp, dan moet ik me inhouden om niet zelf alle grachten te graven waar het water doorheen loopt.’

Tussengerecht: Wanneer geloofde je er echt niet meer in?

‘Er is een moment geweest dat ik helemaal onder het eczeem zat. Ik woekerde ervan. Bij bloedonderzoeken werd tegen me gezegd: Marcel, heb je stress? En ik dacht: natuurlijk heb ik geen stress. Ik heb toch alles wat mijn hartje begeert? Ik mag niet zeggen dat ik niet blij ben. Maar Vince en Spike hadden in die tijd een heel goede schrijfklik, en ik was eigenlijk alleen maar aan het vertolken, aan het uitvoeren wat zij hadden bedacht. Mijn lijf liet het eerst zien. Ik weet dat ik onze manager, die toen net bij de band zat, belde en tegen hem zei: het gaat niet, man. Ik ervaar geen plezier, omdat ik in de veronderstelling leef dat alles wat ik bijdraag gewoon niet gaaf is. En hoe kan ik dan daar in het midden staan? Toen is er wel degelijk wat veranderd, omdat ik mijn plek heb ingenomen.’

Hoe lang zat je toen al in de band?
‘Het was in de aanloop naar Rolling With The Punches, ergens in 2015.’

Dus al zeven jaar…
‘... te nagelbijten, weet je wel. Gewoon omdat ik niet wist hoe ik me moest verhouden tot de hele fucking wereld. Toen ik in de band kwam, wist ik echt nog niet hoe ik me wel of niet kon gedragen. Maar zij komen ook uit een gebroken huwelijk. Ik denk wel dat we elkaar op een heel mooi moment hebben leren kennen, toen we elkaar deelgenoot maakten van hoe vet het is dat je op een podium kunt staan. Ik keek altijd tegen de achterkant van ieders hoofd in de crowd aan, en nu mocht ik iedereen in het gezicht aankijken. Weet je hoe fucking bijzonder dat is?’

En zo kun je wéten hoe vet het is, en tegelijk niet lekker in de wedstrijd zitten.
‘Dat was bij mij aan de hand. Toen hebben we echt met elkaar gedeeld. Ook pijn die zij hebben ervaren in hun jonge jaren, met het maken van zo'n eerste plaat en met de mensen die zich toen om hen ‘bekommerden’. Hoe sommige dingen niet eens door Bas werden ingespeeld op de basgitaar, want iemand ‘kon dat wel beter’. Er was altijd wel iemand die het beter kon. Vanaf dat moment is er een stijgende lijn gekomen. Het was voor mij van essentieel belang dat ik ook een bijdrage kon leveren, omdat ik ook fucking veel te vertellen heb. Door de jaren heen heb ik de vrijheid durven nemen om meer mijn kleuren te laten zien.’

Ik moet denken aan Kensington, met hun nieuwe zanger Jason Dowd. Ik was bij de eerste show met hem en dacht: nu moet hij een grande entrée maken, zijn plek pakken of krijgen. Dat gebeurde niet.
‘Het is heel grappig: Jason kwam net bij de band en prompt, twee dagen later, lopen wij elkaar hier in Den Haag op het Noordeinde tegemoet. We hadden elkaar nooit ontmoet. Nooit. En wat ik gelijk tegen Jason zei was: fuck 'em. Zo van…’

Pak jouw plek.
‘Ja. En dat doe je niet zomaar, dat begrijp ik ook. Net zoals mensen tegen mij zeggen: oh, dat is wel makkelijk, hè, op een rijdende trein springen? You don't know shit. Sindsdien hebben Jason en ik, als we elkaar treffen, een hele leuke klik. Ik heb ook tegen de rest van de jongens gezegd: geef hem de ruimte. Hoor hem. En tegen hem zei ik: het maakt niet uit wat mensen over of tegen je zeggen, jij gaat hen redden. Het zou jammer zijn als hij in de veronderstelling moet leven dat hij alleen maar in zijn handjes mag knijpen.’

Dat hij alleen maar de liedjes hoeft te zingen.
‘Dat is echt niet what is going on. Die band was echt klaar. Maar daarom ben ik zo enorm trots op waar wij nu zijn met ons eigen circus. Er wordt zoveel gelachen bij ons, en zoveel geprikt. Wij kregen in 2017 de AFAS niet uitverkocht, en nu hebben we net drie keer De Kuip gedaan. Dat slaat nergens op. Het was heel bijzonder om te voelen en te ervaren dat mensen echt met je mee zijn gegroeid.’

Hoofdgerecht: Welke rol had je in je gezin?

‘Ik was de Benjamin, de clown. Maar ook: was ik de druppel voor mijn ouders, dat ze het niet meer trokken? Mijn moeder was zestien toen ze de eerste kreeg. Daarna is er een dood geboren kindje geweest. Mijn broer - die vorig jaar is overleden door een auto-ongeluk - was twaalf jaar ouder dan ik. En ik heb een broer die anderhalf jaar ouder is dan ik. Ik ben dus de jongste. Mijn pa was kraanmachinist. Hard werken, veel werken, ook op zaterdag. En dan mijn moeder, met al die mannen in huis, alle ballen hoog houden. Veel later, toen mijn ouders gescheiden waren, heeft mijn moeder nog een andere partner gehad. Die had ook twee kinderen, waarvan er eentje in een internaat woonde en om de week bij ons thuis kwam. Dus dan waren het Danny, Björn, Cas, ik, Michael, Ronald en mijn moeder. Allemaal mannen. Ze was een beest.’

En jij had als jongste meer vrijheid?‘
Ja. Ik geloof ook wel dat ik voor problemen kon zorgen, maar ook voor de lach op ieders gezicht. Kattenkwaad, streken. Iets pikken uit de supermarkt en boete moeten doen, omdat mijn moeder me dan kwam ophalen. Maar ook gewoon being out there: grappen maken, liedjes zingen, stukjes spelen. Dat deden mijn broers niet. Ik zeker wel. Dat zeiden de docenten op school ook altijd: dat ik een clown was.’

En je vader?
‘Mijn pa woonde toen in Renswoude. Ik kom uit Ede, dat is daar een beetje in de buurt. Daar gingen we om het weekend heen. Wat ik wel voel, is dat wij best wel uit een… nou ja, gewoon harde werkers. Rietdekkers, in de bouw. Niet lullen maar poetsen. Ze konden niet zo goed bij hun gevoelens, zeg maar. En ik denk dat ik daar wel aan heb bijgedragen, omdat ik wat avontuurlijker ben.’

Je nam dat mee naar huis?
‘Ja. Maar het is nog steeds wel zo hoor. Toen mijn broer stierf, en wij in het ziekenhuis waren en dat te horen kregen, zei mijn vader zo van: oké. En nu? Dingen regelen. En dat zegt niks over hoeveel iemand van iemand houdt, natuurlijk.’

Het was zijn copingmechanisme.
‘Dat bedoel ik. Dat is die werker, die arbeider: we moeten shit geregeld krijgen. Dat zingt wel heel erg door in onze familielijn. We hebben één keer per jaar een familieweekend, dan zitten we met z'n vierendertigen ergens in een huis met alle neefjes en nichtjes. En dan gaat het niet over wat we doen, maar over wat we doormaken. Dat vind ik vet.’

Heb je toen, in het ziekenhuis, tegen je vader gezegd: wacht even?
‘Nee. Ik had mijn handen vol aan mezelf. En het was niet het moment. Maar mijn pa is zo. Hij belt me zo nu en dan, en dan komt hij wat vragen. Zo van: ‘hey Mars, hoe zit het met die vrijdag van Ahoy? Ja, ok, geregeld? Ja, oké, nou, ik hou je niet langer op.’ Hij voelt zichzelf snel te veel. Waar je misschien graag van je pa of ma wilt horen dat ie van je houdt, is dat getransformeerd in een diep weten. Dat vind ik gewoon ook gaaf aan die vent.’

Accepteer de 'social' cookies voor deze 'spotify'-embed.

cookie-instellingen aanpassen
I: Keep The Fire On

Kaas: Waar gaat het nieuwe album nu écht over?

‘Over mij. Veel liedjes gaan over wat ik heb doorgemaakt, vooral in de laatste periodes. Het album begint letterlijk bij mij op de camping. Ik heb allemaal field recordings gemaakt, ik kan het je laten zien. Hier is de auto die je hoort aankomen, dit is het piepende hekje. Daarom heet het ook ‘The Getaway’. Dat is mijn plekje in het bos, waar ik met mijn gezin in de vakantie zit. Dat is waar het vertragen plaatsvindt. Waar de orde van de dag niet meedoet. Het is van extreem belang om te kunnen uitzoomen. Kijk, hier sta ik in een maïsveld, en daar kijk ik ook op uit als ik op mijn plekje zit. En je hoort de kinderen buiten spelen. Ik mocht Spikes auto lenen, die Wagoneer. Dat vond ik echt zo leuk.’

Keep The Fire On is ook een soort note to self, hè? Dat je het niet moet laten uitblazen door wat er gebeurt in je leven.
‘Ja, en het is tegelijkertijd ook dat de as na een avond lekker bij het vuur zitten de volgende dag nog aan het smeulen is. Het is dat allemaal: de ontmoetingen die plaatsvinden, het vuur dat je wilt aanwakkeren in een ander.’

Is dat het centrale thema van de band geworden, de afgelopen jaren? Laat je niet klein krijgen?
‘Nou ja, meer zo van: het is allemaal oké. We kunnen een heleboel niet controleren. Zelfs dat we drie keer De Kuip deden, bij wijze van spreken, of wat er met covid gebeurde. Dat heb je allemaal niet in de hand. Het gebeurt, en we moeten dankbaar blijven dat het gebeurt. Dus absoluut niet achteroverleunen, maar ook niet te moeilijk gaan doen en denken: oeh, daar ligt de norm. We wilden gewoon heel graag weer terug naar de kern. Daarom is onze vormgeving ook allemaal zwart-wit. We wilden even alles van kleur onttrekken. Opnieuw een soort nieuwe nul, en vervolgens kan dat weer allemaal gaan ontstaan.’

‘De volgende track, ‘Back To The Beginning’, gaat over dat ik met mijn kinderen mijn eigen leven opnieuw beleef, door hun ogen. Over dat je hoopt dat alles wat je ze meegeeft op een dag landt. ‘Won’t Fall’ gaat over dat we ons gedragen mogen voelen, van tijd tot tijd. Ook door de mensen die er niet meer zijn.’

Het is in zekere zin een heel spiritueel album.
‘Ja, zo voel ik dat wel. ‘Brother’ begon bij Spike. Dat stukje had hij al een hele tijd: ‘stay with me, brother’. Toen leefde mijn broer ook nog. Brother, dat kon iedereen zijn.’

En heb jij dat toen naar je toe getrokken?
‘Dat heb ik naar me toe mógen trekken. Het liedje was klaar na het laatste refrein, maar voor mij was het niet af. Ik zei: ik wil er nog een heel groot outro achteraan maken, waarbij ik me kon inbeelden dat er een soort ascensie zou plaatsvinden. Dat ik mijn broer op zijn BMX in slow-mo door een vuurhoepel zag fietsen. Terwijl de rest aan het opnemen was, zat ik in een kamertje ernaast dat hele outro te maken, in de box, met allemaal midi. Op een gegeven moment deelde ik het, toen snapten ze het, en toen hebben we het samen thuisgebracht. En toen was de vraag: moeten het niet twee liedjes worden? Ik dacht: wat de fuck, waar heb je het over? Dit is een document. Dit is something beautiful, waarvan ik wil dat het intact blijft. If you like it, you like it. If you don't, it doesn't matter.’

Hoe lang is het nu?
‘Ruim zes en een halve minuut. Dat hebben we ook nog nooit eerder gedaan. Afgelopen week speelden we in Groningen de try-outs. We speelden de hele plaat integraal in het midden van de set, en ik heb het niet eens verder ingeleid. Ik zei alleen: deze is voor mijn broer. Klaar. Toen begonnen we met spelen. En aan het einde van de tune was er een applaus dat niet stopte. Zo van: dit is onze manier om je te laten weten dat het niet niks was, en dat we je horen. Dat overviel me meer dan het stuk spelen zelf.’

Dessert: Welk compliment wil je je bandgenoten geven?

‘Dat ze gewoon schitterend zijn in al hun imperfecties. En ik wens voor hen dat ze dat zelf ook zo zien. Ze zijn prachtig gemaakt, die jongens. Stuk voor stuk.’

Je raakt er zelfs een beetje geëmotioneerd door.
‘Nou ja, kijk, dat is net wat ik zeg: we hebben echt een lange reis achter de rug. Ik mocht in mijn kracht gaan staan, en zij gingen genieten van hoe ik in mijn kracht stond. En tegelijkertijd sprak ik hen erop aan: wie de fuck ben jij eigenlijk? Daarin kwam ieders shit naar voren, en ook de mooie dingen. Onvermogen en patronen. Het was de hel, maar het was beautiful. En vorig jaar hebben we zelfs samen gespeeld op de dienst van mijn broer. Dat was echt fucking epic. Op een groot podium als Pinkpop móét het gebeuren, daar gebéúrde het gewoon, als je begrijpt wat ik bedoel. Dat was heel bijzonder.’