The Fatal Flowers komt met eerste muziek in een mensenleven
‘Er was absoluut geen weg meer terug’

Voor het eerst in 36 jaar verschijnt deze week nieuwe muziek van The Fatal Flowers. 36 jaar, dat is een aardig unicum, beseft frontman Richard Janssen zelf ook. ‘Dat gebeurt eigenlijk zeer zelden.’ Met de EP Seven Days To Remember sluit de Amsterdamse gitaarband aan op Pleasure Ground uit 1990, het album waarna de band uit elkaar viel.
Een masterplan zat er niet achter, vertelt de intussen 65-jarige zanger van de veelgeroemde indierockband. De band speelde tijdens de festivalshows van afgelopen zomer een paar akoestische nummers, en toen kwam vanzelf de vraag of het niet leuk zou zijn om die op te nemen. Het werd meer dan dat. De band boekte een studio voor een week, en meteen daarna ook de mastering, de perserij en het drukwerk. ‘Er was absoluut geen weg meer terug.’ Het resultaat verschijnt op 10-inch en digitaal.
Een plaat maken alsof ze weer 25 waren, dat wilde Janssen nadrukkelijk niet. De ‘Younger Days’ uit hun grootste hit zijn al lang en breed voorbij. De anderen zijn wel altijd blijven spelen, en iedereen schrijft. Dus werd in de oefenruimte rondgevraagd wat er nog op de plank lag. Dat bleek een mengeling van flarden die al jaren rondzwierven en dingen die pas in die studioweek ontstonden. Over ‘All the Time’: ‘Volgens mij gewoon een rifje. En dat werd een heel nummer.’ Gitarist Robin Berlijn leverde ‘Everybody C’mon’ aan en schreef mee aan ‘Showtime’. Daarnaast staan er een paar akoestische nummers op: ‘There Were Times’ (een remake van 'Johnny D Is Back'), 'Floating' en een cover van Phil Ochs. De deadline voelde niet als stress maar als bevrijding. ‘Juist omdat je een deadline hebt, moet je gewoon beslissingen maken.’
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'spotify'-embed.
Het rumoer van het publiek
Dat is volgens Janssen ook het meest ouderwetse aan de plaat, meer nog dan het feit dat het een gitaarplaat is. Opgenomen werd er gewoon in Pro Tools, maar de band zat met ‘een paar stoeltjes in een kringetje’ en speelde. Niets ging mee naar huis om nog eens terug te luisteren. ‘In plaats van dat je zo’n tien zang-takes doet en nog eens drie keer gaat luisteren, doe je er gewoon twee en luister je helemaal niet terug.’ Met vier weken studiotijd en alle moderne middelen ontkom je er volgens hem niet aan ‘dat je gaat lopen kloten’, en dat zou hij zelf ook doen. Die werkwijze heeft hij uit het theater, waar hij de afgelopen 25 jaar zat. Daar schuif je een première nooit op.
Dat theaterleven speelde zich de laatste vijftien jaar vooral af in Duitsland, in Berlijn, München en waar het verder zoal uitkwam. Twee, drie maanden lang zes dagen per week in een repetitielokaal, ’s avonds terug naar een tijdelijke woning en nog wat werken. ‘Dat is nou heel monomaan, waar ik zelf eigenlijk heel goed tegen kan.’ Wat hij daar precies maakt, vindt hij lastig uit te leggen. Eigenlijk alles wat je in een voorstelling hoort, in een theatervorm waarin geen live geluid meer van het toneel komt en zelfs de tekst wordt afgespeeld vanaf zijn computer. ‘Bijna een soort filmsoundtrack, die dan weer live op toneel gespeeld wordt.’ Geluiden zelf bouwen vindt hij leuk, maar de essentie zit voor hem in de wisselwerking met de acteurs. ‘Ik zit liever acht uur in de repetitieruimte dan dat ik acht uur thuis een stuk fruit in elkaar zit te hakken’, knipoogt hij naar het oer-instrumentarium voor geluidseffecten.
Het tourleven, waar ‘Showtime’ over gaat, heeft hij dus lang niet meegemaakt. De rest van de band wel. Met name Robin Berlijn tourt nog volop, en hij legde de basis voor die song. Janssen voegde wat tekst toe en herkende zich er makkelijk in. ‘It’s the roar of the crowd / That kills all our jokes’, klinkt het laatste couplet. Dat is een heel specifiek moment, legt hij uit. ‘Je staat of achter een gordijn of achter een deur, en dan hoor je dat, de rumble van het publiek.’ Het geouwehoer valt dan stil en iedereen schakelt om. ‘Oké. Concentratie, het gaat gebeuren.’

Doorleefde stem
Die 36 jaar zijn als erosie over de stem van de zanger heen gegaan. Naar zijn eigen stem luisteren blijft raar, maar zijn bandleden zeggen dat hij beter zingt dan vroeger. ‘En misschien is dat ook wel zo.’ Zenuwen, vermoeidheid: het is allemaal te horen. ‘Alles vertaalt zich altijd in je stem. Altijd. Dat kan je niet tegenhouden.’ Zanger werd Janssen eigenlijk tegen wil en dank. Hij was bassist in een vriendenclubje dat ineens The Fatal Flowers heette, en binnen een jaar ontplofte het: grote optredens, uitstapjes naar Engeland, VPRO-sessies, management. Leren deed hij op het podium. ‘Tien tot vijftien keer per maand. En dat het hele jaar door.’ Hij noemt die jaren ‘growing up in public’. Dat hij nooit de zanger zal worden die roept “laat die handjes zien” staat vast, net als zijn hekel aan zingen met de ogen dicht. ‘Het hele idee van ‘emotie is je ogen dichtdoen’, dat vind ik echt onzin.’ Zingen is voor hem een gesprek aangaan. ‘Als lesmateriaal voor de Herman Brood Academie zou ik de clip van Jacques Brels ‘Ne me quitte pas’ aanraden: Het is gewoon één close-up en dat is het. Het komt zo hard binnen.’
In 1990 stapte Janssen uit de band en daarmee hield The Fatal Flowers op te bestaan. Spijt? Hij zag het nooit als één beslissing, eerder als een optelsom. Er was een groot verschil tussen het beeld van buiten - een van de beste bands van het land die met buitenlandse producers werkte en het zeker ging maken - en wat de band zelf meemaakte: weinig geld en na jaren clubcircuit toch weer terug op de kleine podia. ‘In een of ander clubje in Duitsland, in een dorp voor 50 man.’ En als het management toen een Europese tour als voorprogramma van een grote band had geregeld? ‘Dan denk ik dat we misschien nog wel hadden bestaan. Nederland had toen een heel groot glazen plafond voor bands, en dat plafond heette Paradiso.’ Daar sluit de band op vrijdag 6 november de gelijknamige Seven Days To Remember-clubtour af.
De volgende generatie
Op de vraag of dit allemaal nostalgie is, heeft Janssen een kort antwoord. ‘Natuurlijk, maar like the fuck I care.’ Hij leeft naar eigen zeggen op geleende tijd. Tien jaar geleden had hij al een hartaanval, en statistisch gezien zou nu zijn tweede moeten komen. Wat de mening van anderen hem dan nog kan schelen, als hij daar staat ‘met te gekke muzikanten om me heen’ en ziet hoe het publiek het naar zijn zin heeft? Bovendien is de band volgens hem beter dan 36 jaar geleden, juist omdat iedereen is blijven spelen.
Wie de reünie in 2019 meemaakte, of de beelden op sociale media zag, herinnert zich vooral het einde. In plaats van de gebruikelijke buiging, die Janssen een cliché vindt, kwamen kinderen van bandleden en bevriende muzikanten één voor één het podium op en namen ze de instrumenten over. Hij dacht daarbij aan de uitspraak “Old soldiers never die, they just fade away”. Uiteindelijk stond Janssen alleen naast de dochter van bassist Geert de Groot, die zijn microfoon wilde hebben. Sommige mensen in de zaal vroegen zich pas na een tijdje af wie er nu eigenlijk achter het drumstel zat. ‘Niet zo’n groot afscheid, maar gewoon verdwijnen en het overgeven aan een nieuwe generatie.’
Een sleutelnummer van deze tour bleek de cover van Phil Ochs’ ‘When I’m Gone’, een lied dat Janssen ooit hoorde en niet meer uit zijn hoofd kreeg. ‘Wat Ochs zingt, klinkt misschien als een cliché, maar clichés zijn nooit als zodanig begonnen.’ Tijdens de tour overleden opvallend veel mensen rond de band, en twee weken geleden ook Janssens moeder. ‘Net of dat nummer zijn eigen verhaal schrijft. Elke keer krijgt het nummer meer lading.’ Ochs schrijft over alle dingen die hij niet meer kan doen als hij dood is: So I guess I’ll have to do it while I’m here.