Dacht jij dat Spinvis in 2002 helemaal vanuit het niets kwam? In werkelijkheid speelde Erik de Jong al decennia in allerlei coole bands. De allereerste Utrechtse punkband, bijvoorbeeld. Hij maakte ook muziek met de latere housepionier Gert van Veen (Quazar) én meestergitarist René van Barneveld (Urban Dance Squad). En De Jong schreef de muziek voor sommige Spinvis-liedjes (waaronder ‘Kom Terug’) zelfs al in de jaren negentig. Laten we de muzikale geschiedenis van Spinvis eens uit de doeken doen.

Op 1 april 2002 verscheen dat magistrale debuutalbum van Spinvis. Vanuit het niets. Ja, zo voelde dat. Dat cassettebandje van Spinvis was gehuld in mysterie. De maker ervan wilde anoniem blijven, geïnspireerd door houseplaten met witte labels, zodat het puur om de muziek zou gaan. Maar al gauw werd dat in de media een soort gimmick: wie is die geheimzinnige, gemaskerde, muzikale superheld dan? Spinvis werd bang dat dat mysterie werd geïnterpreteerd als een gehaaide marketingtruc, alsof–ie anoniem wilde blijven om wat extra aandacht te genereren. En dat was helemaal niet het geval.

Dus toen zei Erik de Jong: hallo, ik ben Spinvis. Een 41-jarige postsorteerder uit Nieuwegein. Vader van twee. ’s Nachts sorteert hij de post, maar overdag knutselt hij op zijn zolderkamertje de meest wonderlijke muziek in elkaar. En laten we wel wezen, ook dat was nog een hyperromantisch beeld: je kon dus jarenlang als een kluizenaar aan liedjes sleutelen om op latere leeftijd nog door te breken. Maar goed: De Jong maakte eigenlijk al zijn hele leven muziek, sinds zijn vroege tienerjaren stond hij er al mee op het podium. En het is het waard om die geschiedenis eens serieus uit te pluizen.

Blitzkrieg - Tonny Hol (drummer), Aart Harder (Bassist), Merlijn Blommendaal (Zang), Erik de Jong (gitaar) en Rob de Jong (gitaar)

De opruiende punk van Blitzkrieg en The Duds (1976-1979)

‘We hadden altijd een unieke relatie die we met niemand anders hadden, dus we hebben altijd al heel veel samen gedaan.’ Dat zegt Rob de Jong, de oudere broer van Erik. Toen Rob in 1976 met wat vrienden de punkband Blitzkrieg begon, was het niet meer dan logisch dat Erik daar ‘altijd wel een beetje bij hing’. Rob had twee gitaren, dus zijn kleine broertje van vijftien mocht er op eentje meespelen en Erik trad al gauw officieel toe tot de band.

En besef wel: Blitzkrieg was niet zomaar een punkband. Nee, Blitzkrieg was de allereerste punkband van Utrecht, en een van de eersten in Nederland. Ze speelden de stekelige liedjes van Amerikaanse pioniers als The Ramones en The Dead Boys na, maar schreven ook eigen nummers. ‘De teksten waren zo grof mogelijk, lachen was dat. We waren knappe jonge jochies van 16, 17. Iedereen vond ons leuk, we waren nog succesvol ook.’

Dat begon met kleine showtjes in jongerencentra en cafeetjes. Maar na een radio-optreden bij de KRO werd de band, inmiddels omgedoopt tot The Duds, steeds succesvoller. Ze speelden op de punkavond van Paradiso (Woensdag Gehaktdag!) en tourden zich een behoorlijke slag in de rondte. En hoe gekker ze deden, hoe beter ze werden ontvangen, aldus Rob. Drummer Tonny Hol – sowieso al de mafkees van de groep  – nam steevast zijn morgenster mee, en met dat middeleeuwse wapen dook hij maar al te graag het publiek in om mensen aan te vallen. ‘Ik kan me nog een optreden herinneren in de Kasbah in Maarssen. Dat werd een grote chaos, inclusief knokpartijen. Die hele tent werd gesloopt en is zelfs 14 dagen gesloten na ons optreden.’

Bezoeker bij The Duds in Maarssen

Rauwe, primitieve muziek, noemde Erik de muziek van The Duds zelf in dit vermakelijke verhaal over Utrechtse punk. ‘Ik ging zo op in die rauwe, primitieve muziek die we maakten, dat mijn witte Fender Stratocaster na afloop van het optreden helemaal rood zag van het bloed. Ik speelde zonder plectrum, maar voelde nauwelijks iets van de wondjes op mijn handen: je zat helemaal in die roes van alcohol, energie en harde muziek.’

Toen de drummer Tonny eruit stapte (Rob: ‘Het werd hem te serieus’), moest Erik maar achter het drumstel kruipen. Maar hij kon niet echt drummen. ‘En ik heb helemaal geen drumstel.’ ‘Ja, dan koop je er toch een?’ Ja, dat was punk. Zo zag de groep er ook uit: een stelletje losgeslagen anarchisten, leren jackies, veiligheidsspelden door de oren, gespiegeld aan Johnny Rotten. Rob: ‘Erik deed daar eigenlijk niet zo heel erg aan mee. Hij was vooral in de muziek geïnteresseerd. Of nou ja, niet eens in deze muziek, hij was vooral geïnteresseerd in het maken van muziek.’

Alle bandleden hadden bijnamen: Erik was ‘Mick the Prick’ en Rob noemde zich B.B. Belsen. ‘Een hint naar Bergen Belsen, het Joodse vernietigingskamp.’ Want die naam Blitzkrieg – natuurlijk ook gebaseerd op ultiem punkanthem ‘Blitzkrieg Bop’ – was al bedoeld om te shockeren. De band flirtte net als veel punkers in die tijd met swastika’s, SS-tekens en nazi-symbolen. Kijken of ze de generatie supertolerante hippies toch op de kast konden jagen. En dat lukte aardig. Moeder De Jong vond het verschrikkelijk, uiteindelijk kwamen schoolhoofd, politie en psychologen er ook nog bij kijken ook. Rob: ‘Die symbolen? Puur provocatie was dat. We waren tieners, het was spannend om te kijken hoe de wereld erop reageert, om te kijken of je dat kon maken. Met name frontman Aart en ik hadden daar lang over gefilosofeerd. In de jaren zeventig was er nog een grote aversie tegen de Duitsers, het was natuurlijk nog niet zo lang na de Tweede Wereldoorlog, en wij wilden daar tegenaan schoppen. Bij onze fans ging het erin als zoete koek, maar op een gegeven moment begon een hele berg aan neonazistische types in ons kielzog mee te varen. Daar waren we absoluut niet blij mee.’

Hi-Jinx

De newwave-jaren: Hi-Jinx (1979-1982)

The Duds viel in 1979 uit elkaar. Twee jaar eerder, 11 mei 1977, zag Erik al een show die van grote invloed op hem zou zijn. The Ramones speelde die avond in het Utrechtse podium RASA voor zo’n dertig man publiek. Maar het voorprogramma blies hem pas echt van de sokken: Talking Heads, de newwaveband uit New York die later dat jaar ‘Psycho Killer’ zou uitbrengen (stond al op de setlist!) en veel harder swingde dan die vierkante Amerikaanse punk van het hoofdprogramma. Muziek om vanuit je heupen op te dansen, dus. ‘Het toffe van punk is de attitude. Je doet alles zelf en hebt niks nodig’, zei Erik over die avond in 3voor12 Radio. ‘Maar Talking Heads was de eerste band die de heupmuziek met de punk samenbracht. Ik kon wel huilen van plezier dat dat bestond.’

Dus de tweede band van Erik de Jong was zo’n newwaveband: Hi-Jinx. ‘Erik was best een stille jongen’, aldus Gert van Veen. Later zou Van Veen nog een van Neerlands belangrijkste housepioniers worden, dancejournalist en de man achter de club Studio 80 en festival Welcome to the Future. Toen was hij vooral bassist en blowkikker. ‘Erik was drie jaar jonger dan wij, dus ik denk dat hij in het begin een beetje geïntimideerd was door ons. Een enorm goede drummer wel, en we merkten al heel snel dat hij meer in zijn mars had: hij kon overweg met keyboards en best goed gitaar spelen, en hij kwam opeens ook met allerlei muzikale ideeën. Tering, dacht ik toen, deze ideeën zijn geweldig.’ Neem het liedje ‘Verona’, dat hieronder te beluisteren is. ‘Het was zijn eerste muzikale bijdrage. Toen hij jaren later als Spinvis kwam bovendrijven, was ik niet echt verbaasd dat het zo goed was. Wél dat hij uit het niets weer tevoorschijn kwam, maar het talent was al helemaal duidelijk in 1980.’

Hi Jinx (Joost Bataille, Gert van Veen, Hans de Groot en Erik de Jong)

Erik had nog altijd warme banden met de punkscene, dus werd Hi-Jinx een boegbeeld van de Utrechtse kraakscene. Van Veen: ‘In Utrecht had je op dat moment helemaal geen jongerencentra, de kraakbeweging organiseerde dus bijna wekelijks acties.’ Dan werd in cafés rondverteld: om 8 uur verzamelen op het Domplein! En trok vervolgens een gigantische horde aan krakers in een stoet door de binnenstad, amper in toom te houden door de politie. ‘Op een gegeven moment zwaaiden we dan de deuren open van een leegstaand grachtenpand, en stroomden daar duizend man naar binnen om de boel te kraken. Apparatuur naar binnen en spelen maar. Hi-Jinx was een favoriet van het actiecomité Tivoli Tijdelijk, waar later Tivoli Oudegracht uit is ontstaan. Wij hadden als enige band een eigen PA en stelden die altijd beschikbaar, dus alle bands speelden op onze spullen. De sfeer op die feesten was geweldig, zoals de illegale feesten van nu waar iedereen helemaal uit z’n dak gaat. Want je moet beseffen: er was die tijd bijna niks te doen in Utrecht, iedereen was zó blij om te kunnen feesten.’

Van Veen tovert een paar foto’s uit die tijd tevoorschijn. ‘Die foto’s hebben de sfeer van de band heel goed gevangen. Zoals je kunt zien waren we allemaal behoorlijk lam en stoned, gezellig met meisjes erbij. Coke deden we niet, in tegenstelling tot veel andere bands, maar we blowden wel behoorlijk veel en dronken ook veel bier. Het was echt rock ’n roll, en we waren daar best heel goed in. Ik denk er met een warm gevoel aan terug.’

Voor de kenner: op die foto’s zie je ook meestergitarist René van Barneveld, die later geschiedenis zou schrijven met Urban Dance Squad en een tijdje in Hi-Jinx speelde. ‘Zeker toen René erbij kwam, werd de band steeds experimenteler en funkier. Hij had toen al de sound van wat hij later bij Urban Dance Squad zou gaan doen. Dat was het leuke van Utrecht in die tijd: hoewel er eigenlijk geen speelplekken waren, waren er wel al heel veel bands. Die kwam je op de feestjes ook echt tegen: dan kreeg je een grote bek van Henk Westbroek, die net zijn eerste grote hit had gehad met Het Goede Doel, die ging uitleggen hoe wíj ook zoveel succes konden krijgen.’

Hi Jinx in de bandbus

René van Barneveld en Erik de Jong (Hi-Jinx)

Hi Jinx

De digitale experimenteerdrift (1985-1995)

‘Mijn eerste ontmoeting met Erik? Toen was–ie echt een arrogante lul’, zegt Arjan Witte schaterend. Hij kent De Jong nog van de Koningin Julianamavo te Utrecht, en maakte jarenlang experimentele elektronische muziek met Erik, bijvoorbeeld onder de naam Binding. ‘Ik dealde op school hasj aan de leraren, en een vriend vertelde me over Erik. “Die gast is helemaal gek. Zijn vader is leraar Scheikunde en creëert ontploffingen in het klaslokaal, hij luistert jazzrock en punk.” Hij stelde ons voor. “Erik, dit is Arjan. Hij speelt gitaar, maar kan ook orgel spelen.” Erik liet een blik op me vallen en zei: “Niet slecht voor een lulletje als jij.” Ik kwam niet meer bij!’

Al gauw werden ze vrienden, en Arjan Witte noemt De Jong ‘de meest funky drummer’. Maar de twee raakten ook begeesterd van de allereerste digitale opnamemogelijkheden. Witte: ‘Erik is heel muzikaal. Geef hem een tuba of een viool en hij speelt erop los, en wat hij met instrumenten kan, kan hij ook met computers. Ik had zo’n oude Roland SH-101 synthesizer en een 505-drumcomputer. Snoertje ertussen en hij ging helemaal uit zijn dak!’

De Jong studeerde een tijdje slagwerk en compositie aan het Rotterdamse conservatorium en kocht in die tijd zelf zo’n oude Commodore 64, vertelde hij in 2005 aan NRC. ‘Dat was een revolutie. Vroeger nam je iets op op tape en dan kon je er niet meer bij. Nu kon je de noten in je computer stoppen en ze daarna nog veranderen of bewerken. Dat kon met alles: drum, gitaar, trompet, wat je maar wilde. Het betekende een wezenlijk andere manier van muziek maken. Vanaf dat moment heb ik alle fasen van de elektronische muziek doorlopen: soundscapes, house, met drumcomputers, de Roland 808 - ik zat er bovenop. Maar er kwam bij mij nooit echt house uit. Ik ben ooit weken bezig geweest met het bewerken van een radio-interview met Hans van Mierlo. Ik had me er op toegelegd om alle klinkers en medeklinkers te verwisselen. Ik knipte ze los en draaide ze om, precies op het ritme. Het werd een absurde brij, maar wel een ritmische brij. Van Mierlo ging rappen.’

’Toen blowden we nog’, vertelt Arjan Witte, ‘en ik weet nog dat ik in mijn broek heb gepist van het lachen tijdens het samen muziek maken. Ik weet niet meer waarom, maar elke inval was leuk. Hoe idioter het klonk, hoe leuker ik het vond.’

Witte speelde ook nog een tijdje in de band van Spinvis. ‘Toen was Erik nog best wel onzeker. Ik zat vooral bij de band voor de geluidseffecten, maffe partijen en idioot gedrag op het podium. Ik had het idee dat Erik daar veel aan had, dan hoefde hij dat niet te doen.’

De vroege Spinvis-liedjes (1989-1998)

De Jong drumde in de jaren tachtig ook nog een tijdje in de band Judy Nylon en toen die band ermee stopte, bleef hij liedjes schrijven met bandlid Evert-Jan van den Brink onder de namen The Place of Haha en J.D. Traven. Op een flatje in Overvecht namen ze met een TEAC bandrecorder prachtige demo’s op. De democassettes zijn nooit officieel uitgebracht, maar door muzikaal archeoloog Diggindemos.nl vorig jaar alsnog opgegraven en op YouTube gezet. Een geweldige vondst, en veel van die liedjes zullen je als Spinvis-fan bekend in de oren klinken. Luister ‘Beautiful To Me’ uit 1990 maar eens. Verdomme! Dat is gewoon ‘Kom Terug’. ‘Harry’s Return’ (1994), dat is 1 op 1 ’10.000 Zwaluwen’. ‘I Love You’ (1992) doet verdomd veel denken aan ‘Voor Ik Vergeet’.

‘Evert-Jan en ik hebben samen heel veel muziek gemaakt’, zei Erik er deze week over in 3voor12 Radio terwijl hij de oude demo ‘I Love You’ draaide. ‘Hij zong en schreef de teksten, ik maakte de muziek. Dit heb ik altijd een goede melodie gevonden, goede akkoorden. Je neemt dat allemaal mee, pas veel later heb ik daar ‘Voor Ik Vergeet’ van gemaakt.’ Er zit een goede tien jaar tussen deze vroege demo en het uiteindelijke Spinvis-liedje. ‘Maar dat is niet onwaarschijnlijk, hoor. Ik neem ideeën heel lang mee, soms wel dertig jaar, voordat ze ergens kunnen landen. Als je zo oud bent als ik, is dat niet zo moeilijk. Soms zitten ideeën in je hoofd, maar heb je nog niet de juiste plek om ze weg te zetten.’

Judy Nylon

De coverband Deb’s Delight (midden jaren negentig)

Neem ook de zin ‘De Dag Dat Richard Krajicek Wimbledon Won’. Die zin kriebelde al sinds de bewuste dag, 7 juli 1996, in de hersenpan van De Jong, om vierentwintig jaar later uit te groeien tot een autobiografisch Spinvis-liedje. Midden jaren negentig waren al zijn coole newwavebands uit elkaar gevallen (mensen kregen kinderen en carrières, zoals dat gaat). Om toch af en toe te kunnen optreden, trad hij toe tot het coverbandje van Lucas Oldeman. ‘We liepen elkaar tegen het lijf op de galerij van de flat waar we woonden’, herinnert Oldeman. ‘Goh, maak jij ook muziek?’ ‘Ja! Jij ook?’ ‘We werden allebei weer vader, ik voor de derde keer en hij voor de eerste keer. We waren buren met baby’s, dat schepte een band. Ik vond hem een hele lieve, filosofisch ingestelde, belezen jongen met ontzettende humor.’

En zo belandde Erik de Jong bij het illustere Deb’s Delight, voor al uw feesten en partijen. Eerst als bassist, later als drummer. Oldeman: ‘Het was een leuke manier om de wilde haren wild te houden. We waren niet heel ambitieus, repeteerden gewoon bij mij op zolder in huis, het ging vooral om het muziek maken en kijken of er via via een optredentje te regelen was. We speelden alle clichés waar je aan denkt: Toto, Billy Joel, ‘Jump’ van de Pointer Sisters, ‘It’s Raining Men’ en Madonna. Bekende liedjes waar je lekker op kon dansen. Ons visitekaartje was ‘Somebody To Love’ van Queen. Erik kon mooi hoog zingen. Dan waren mensen echt onder de indruk van de samenzang: “Wauw, kunnen jullie dát ook spelen?” En wij apetrots.’

Zo speelde Deb’s Delight op heel wat bruiloften van vrienden van vrienden, op bedrijfsfeesten van Albert Heijn en op gemoedelijke verjaardagen van collegae. ‘Dat vond ik heel leuk’, zei Erik de Jong er zelf over. ‘Ik heb er veel geleerd: dat mensen willen dansen, dat de kick altijd op de 1 moet zitten. Het is zo basaal, dat is wat popmuziek is. Je kunt het uitleggen als kunst, maar ook als amusement. Ik vind het leuk om er precies tussenin te zitten.’

Deb's Delight (1999)

Deb's Delight (2001)

Nog even over die dag dat Richard Krajicek zegevierde: die dag speelde Deb’s Delight ergens in de buurt van de Dom in Utrecht. De Jong: ‘Ik was de drummer, maar had geen hi-hat. Ik kon er een lenen van een vriend van me, Chris. Dus ging ik bij hem achterop de motor, en wat die jongen had gedronken of gedaan weet ik niet, maar hij ging ongelooflijk hard. Ik kon alleen me maar aan een stangetje vasthouden, criss-cross tussen de auto’s door. Ik dacht echt: “Mijn laatste uur heeft geslagen.” Toen ging het opeens ook nog onweren, de lucht werd groenzwart. Het was zo’n dag die je je hele leven gaat herinneren.’

Lucas Oldeman begint te schateren als hij aan die dag terugdenkt. ‘Ja, dat weet ik nog wel. Chris was mijn broer, en die dacht: “Ik zal hem eens laten zien hoe hard mijn motor kan.” Erik sloeg doodsangsten uit, hij kwam lijkbleek terug.’

In die periode werkte De Jong al aan zijn Spinvis-muziek. ‘Hij liet me af en toe cassettebandjes horen, hij was ALTIJD muziek aan het maken. Ik vond het heel charmant, het had een bepaalde abstractie en vreemdheid. We speelden een keer op een bedrijfsfeest van Albert Heijn, echt een dronken boel van jewelste, en Erik liep daar rond met een microfoontje en cassetterecorder. Hij kreeg het publiek zover om dat melodietje van ‘Smalfilm’ te zingen. Wie weet ging–ie dat gebruiken op zijn album. Hij had de liedjes naar Excelsior Recordings opgestuurd: “Wie weet vinden de mensen het mooi.” Maar hij had niet de ambitie om een band te beginnen met die muziek. Ik zag dat juist wel voor me, ik dacht: jéééétje, het zou toch te gek zijn om met deze muziek te gaan optreden? Ik heb in die tijd zelfs een keer gedroomd dat ik bij een optreden van hem was, dat Erik die liedjes live ging spelen.’

Schoorvoetend kwam Erik in die periode bij Lucas aankloppen: ‘Ai, ze willen dat ik ga optreden met deze muziek. Help je mee?’ Dus sinds 2002 is Oldeman ook toetsenist en gitarist van de Spinvis-experience, en dat is–ie nog steeds.

Al die jaren dat De Jong in bandjes speelde, kraakpanden onveilig maakte en bedrijfsfeesten frequenteerde voordat hij op 41-jarige leeftijd doorbrak als Spinvis? Lucas Oldeman vindt het een mooie ode aan het échte muzikantenbestaan, het ploeteren voor de kunst zonder daar per se beroemd mee te willen worden. Muziek maken om het muziek maken. ‘En dat het uiteindelijk zo is gelopen? Dat is toch prachtig?’