Ed O'Brien (Radiohead): ‘Fuck, dat is waarom muziek zo buitengewoon is’
Gitarist kruipt uit zijn schulp met solo-album

Radiohead-gitarist Ed O’Brien is in zijn band niet bepaald de man van de opvallende solo’s. Hij is er voor de textuur, van de humuslaag waar een liedje vruchtbaar kan groeien. Maar nu neemt hij toch echt zelf de hoofdrol op zich, met solo-album Blue Morpho. De Engelsman spreekt over zijn solowerk en de TikTok populariteit van Radiohead. ‘De grootste groep luisteraars van Radiohead is 16-24 jaar.’
Wat is het meest signature Ed O’Brien moment in de catalogus van Radiohead? Ik bedoel: Thom Yorke momenten zijn er genoeg, van de uithaal in de climax van 'Creep' tot zijn ‘yesterday I woke up sucking a lemon’. Opvallende Jonny Greenwood momenten? Oneindig, van de felle gitaarsolo in ‘Paranoid Android’ tot zijn modular beats in ‘Idioteque’. Zij doen de opvallende dingen, terwijl tweede gitarist Ed O’Brien naast hen zorgt voor de textuur. Onbelangrijk is hij zeker niet, en toch heeft hij er desgevraagd moeite mee een typisch Ed O’Brien moment aan te wijzen in al die albums door de jaren heen.
Ze zijn er wel, natuurlijk zijn ze er. Neem bijvoorbeeld het intro van ‘Lucky’, een dromerig, haast zweverig geluid dat hij maakt op de kop van zijn gitaar, pal bovenop de stemsleutels. Een Radiohead fan herkent het direct, bij de eerste seconde. En de manier waarop hij speelt in ‘How To Disappear Completely’, niet riff-gedreven maar zachtjes wiegend tegen het ritme van de song in. Of de eBow in ‘Nude’, waarmee hij een vraag-antwoord-spel speelt met de ondes martenot van Jonny Greenwood. En ‘Let Down’, dertig jaar later ineens een hit, was er zonder hem misschien niet eens geweest.
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'spotify'-embed.
Het hoogste woord
Ed O’Brien is al meer dan dertig jaar dienstbaar aan de songs van zijn band, een muzikant die zelden het eerste woord heeft, en ook zelden het hoogste woord. Nu brengt hij voor het eerst een album uit onder zijn eigen naam (een eerder solo-album kreeg alleen zijn initialen, EOB), en nóg klinkt hij onnadrukkelijk. Het is wel een zeer geslaagd album, opgenomen met succesproducer Paul Epworth (Bloc Party, Adele, Coldplay), maar alles behalve een hitalbum. Blue Morpho is het verslag van een lastige periode in het leven van O’Brien, die begon bij een depressie en overgaat in een soort spirituele bevrijding, gesymboliseerd door de blauwe vlinder van de titel.
Blue Morpho is een solo-album, maar O’Brien maakte het niet alleen. Naar Radiohead bandleden zul je vergeefs zoeken in de credits. De meest opvallende gastartiesten zijn… de vogels in de tuin van de studio waar de gitarist het titelnummer opnam. O’Brien ging er een duet mee aan. 'Ze zijn opgenomen op het moment dat we de guide acoustic neerzetten - het eerste wat er voor Blue Morpho werd vastgelegd. Tegelijkertijd, met een microfoon buiten. Het zijn dus echte vogels, geen YouTube-vogels. Want het is gewoon een prachtig geluid. Geluiden uit de natuur zijn buitengewoon. Ik liep gisteravond naar de rivier om een stukje te zwemmen en hoorde de vogels zingen, het water stromen. Ik hou van geluid. Dat is mijn medium. Ik ben altijd geïnteresseerd in hoe je dat kunt brengen in muziek, en wat het doet met de noten en de patronen.’ De vogels in ‘Blue Morpho’ zijn geen leadzangers, geen solisten. Of toch weer wel. De afgelopen jaren luisterde O'Brien intensief naar jazz, en in vogelzang hoort hij iets vergelijkbaars: 'Iedereen speelt tegelijk, vloeiend, en ze reageren op elkaar.'
Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.
Wegmoffelen
De songs op Blue Morpho zijn lang en meanderen introspectief. Sommige naderen zonder dat je het door hebt de tien minuten. O'Brien heeft er bewust alle ruimte voor genomen, en verontschuldigt zich er niet voor. ‘Een song is zo lang als hij moet zijn', zegt hij. Dat hij die ruimte kreeg, heeft een reden: de lockdowns van 2020 gaven hem tijd die er anders nooit was geweest. Maar de wortel van dit album ligt dieper.
O'Brien herinnert zich de zomer van 1976 - een droge, hete zomer in Engeland - als kind in de achtertuin, naar de hemel starend. 'Hoe kan het dat die lucht nooit ophoudt? Hoe kan dat?' De existentiële vragen waren er al, lang voordat er een crisis nodig was om ze serieus te nemen. Die crisis kwam rond de eeuwwisseling: op het moment dat Radiohead met Kid A en Amnesiac de wereld naar zijn hand zette, liep O'Brien vast. Hij had gedaan wat je moet doen om gelukkig te worden: prachtige muziek maken, touren rond de hele wereld, dromen waarmaken. En toen ontdekte hij dat het niet werkte. 'Iedereen die er serieus mee geconfronteerd wordt, weet het,' zegt hij. 'Het antwoord komt niet van buiten.' Hij begon te mediteren. Las zich door spirituele biografieën van mensen die hem voor waren gegaan en zette een weg in die hij sindsdien niet meer heeft verlaten.
Twintig jaar later, in de stilte van de pandemie, kwamen de songs. Dit keer met zijn eigen naam erop. 'Ik heb me altijd verstopt,' zegt hij. 'Binnen de band, maar ook daarbuiten. Dat doe ik niet meer.' Meer wil hij er niet over kwijt - de reden voor dat verstoppen is 'not appropriate for an interview’. Blue Morpho is in elk geval geen opportunistisch soloproject van een muzikant met tijd over. Het is het resultaat van iemand die besloot op te houden zichzelf weg te moffelen.
16-jarigen
Zich tonen deed Ed O’Brien ook tijdens de recente Radiohead-tour, afgelopen najaar. De band koos er namelijk voor om in-the-round op te treden, met het podium midden in de zaal. En hoewel Thom Yorke aardig zijn best deed om alle kanten van de zaal te bespelen (blikvanger Jonny Greenwood deed dat opvallend genoeg niet), had O’Brien duidelijk een eigen kant van de zaal waarvoor hij zich verantwoordelijk voelde. Meer dan normaal zag je hem vanuit die hoek contact zoeken, af en toe de zaal opzwepen.
Het was nogal wat, die Radiohead tour. De band had acht jaar niet live gespeeld, nog langer niet samen in de studio gespeeld (en dat lijkt ook voorlopig niet aan de orde). En intussen was er een hele nieuwe generatie fans opgestaan die de band via TikTok omarmd had. Niet alleen Gen-Z, maar ook Gen Alpha, de nu-16-jarigen. Streaming gaf de band er zwart-op-wit bewijs van: de grootste demografische groep die naar Radiohead luistert is die van 16 tot 24 jaar, onthult O’Brien. Niet relatief groot, gewoon de grootste. O'Brien vertelde het thuis aan tafel, vol ongeloof. Zijn kinderen keken hem aan. 'Are you surprised, dad?' Het antwoord was ja. 'Tieners zijn depressief, jij maakt depressieve muziek, logisch toch.' Een oversimplificatie, zegt hij zelf, maar niet zonder kern. Radiohead's muziek is emotioneel en rauw, en dat is precies wat pubers zoeken op het moment dat ze de wereld voor het eerst echt voelen.
Op TikTok werd 'Let Down' vorig jaar de op een na meest gedeelde song wereldwijd. Het was nooit single, geen obvious keuze, een deepcut van OK Computer die zijn eigen virale leven kreeg. O'Brien heeft er destijds zelfs voor moeten vechten om het op de plaat te krijgen. In de zaal doken ineens al die jonge gezichten op, mensen die nog nooit een Radiohead-show hadden gezien en er zichtbaar door werden overweldigd. Die nieuwe generatie zorgde er mede voor dat songs die de band jarenlang had laten liggen plotseling onmisbaar bleken. 'Jigsaw Falling Into Place' was zo'n geval. Technisch lastig, nooit echt geland in eerdere livesettings - maar op deze tour groeide het uit tot een van de hoogtepunten van de avond. O'Brien zingt het mee, half in de microfoon. 'Die ene zin, The beat goes round and roooouuuund'. En de hele zaal gaat mee. 'Fuck,' zegt hij, 'dát is waarom muziek zo buitengewoon is.'