Dit zijn de 10 hoogtepunten van London Calling 2025
Ontroerende folk, oorverdovend lawaai en Chinese krautrock
Op London Calling stonden we dit weekend weer als sardines op elkaar, en liepen we trappen tot we niet meer konden. Maar dat deden we wel met een goede reden: het showcasefestival in Paradiso was twee dagen lang weer de ideale plek om frisse buitenlandse acts te ontdekken. Ruim dertig shows en 18345320 traptreden later maken we de balans op. Dit waren onze 10 hoogtepunten van het weekend.
Over London Calling
London Calling is Paradiso's razende showcase festival, dat normaal gesproken twee keer per jaar plaatsvindt. Eerder speelden acts als Franz Ferdinand, Fontaines D.C. en The Last Dinner Party er hun eerste shows op het Europese vasteland. Van oudsher stonden er alleen Britse bands, maar tegenwoordig is die definitie wat opgerekt: acts van over de hele wereld krijgen een kans om in Paradiso kennis te maken met hun Europese publiek. Shows volgen elkaar direct op: terwijl in de grote zaal wordt gesoundcheckt, staat in de bovenzaal een band te spelen, en andersom. Het kan dus een lange rit zijn zonder keuzemogelijkheden, zonder kwaliteitsgarantie, en zonder ruimte om even bij te komen. Maar elk jaar valt er weer genoeg te ontdekken, en er zitten steevast wat pareltjes tussen die het allemaal de moeite waard maken.
2. FAZI
Het nummer: opener ‘谁会做奔跑的马’ zet meteen de toon
Zo, wat een ontdekking is FAZI! Deze Chinese band uit Xi’an timmert al zo’n 15 jaar aan de weg met hun mix van krautrock, psychedelica en postpunk, met een uniek Chinees smaakje. Het zit hem ook al in de naam: ‘Fǎzī’ is een Mandarijnse verbastering van ‘fuzz’, naar de band van Ty Segall. Ze zetten als opener op vrijdag meteen de toon in de bovenzaal: de band dendert vooruit, en slaat honderd keer met toenemende intensiteit dezelfde toon aan, terwijl frontman Peng Liu in navolging van David Byrne en Ian Curtis denkbeeldige vliegjes wegslaat. De set is zwaar, maar ook strak gechoreografeerd: hoe Peng even van plek wisselt met de gitarist, de (scheld?)woorden die hij ook zonder microfoon de ruimte in slingert, die zware clicktrack met synths en drones. En dan op een geregisseerd moment iedereen laten meeklappen; je ziet het een westerse punkband niet zo snel doen, en dat maakt het des te leuker.
4. Long Fling
Het nummer: ze hebben nog niks uit
Huh? Een Nederlandse band op London Calling? Long Fling – de gloednieuwe samenwerking tussen partners Pip Blom en Willem Smit (Personal Trainer) – werd last minute opgetrommeld om in te vallen voor Soccer Mommy. ‘Wel een hele bijzondere plek voor een eerste optreden,’ zegt Willem. Long Fling klinkt onmiskenbaar als de liefdesbaby van Personal Trainer en Pip Blom, maar dan rauwer, hoekiger en experimenteler. Pip en Willem wisselen elkaar af in een soort muzikaal gesprek — alsof we even mee mogen luisteren in hun hoofd. 'I’ve been thinking way too much about you / I’ve been feeling kinda sick lately', klinkt het in een langzaam opbouwend nummer dat de intensiteit van de beste Personal Trainer-tracks evenaart. Tussendoor lachen ze lief naar elkaar en zingen ze samen een cover van Arthur Russell’s ‘I Never Get Lonesome’. De set dendert richting een keihard slotstuk. Dit was niet zomaar een invaller. Dit was het begin van iets groters.
5. Greg Freeman
Het nummer: Met nieuwste single ‘Point and Shoot’ laat Freeman zien dat mooi zingen en zuiver zingen twee heel verschillende dingen zijn.
De grote zaal loopt langzaam vol als Greg Freeman aan het einde van de middag begint. Geen groots gebaar, geen aankondiging – alleen een trillende stem die iets onverstaanbaars mompelt en dan meteen verdwijnt in de feedback van zijn gitaar. Bob Dylan meets MJ Lenderman meets Black Country, New Road, maar dan met een emotioneel randje dat steeds wranger wordt. De band speelt losjes, bijna slordig, met uitbarstingen van viool en sax die de chaos net genoeg richting meegeven. De Amerikaanse zanger klinkt alsof hij uit elkaar valt terwijl hij zingt. Zijn stem is rauw, onvast, vaak op het randje van breken – en juist daardoor snijdt elk woord dwars door je heen. Hij schreeuwt soms meters van de microfoon vandaan, nét boven de muur van geluid uit, alsof hij het liever niet rechtstreeks tegen je zegt. ‘I live in Vermont… in The States…’, zegt hij ineens, gevolgd door een vallend bekertje, feedback uit de mic en een awkward lachje. Ongemakkelijk, maar het komt keihard binnen.
7. UNIVERSITY
Het nummer:
Tijdens het nog onuitgebrachte ‘Post Malone’ ontstaat een verwarde, ritmeloze cirkelpit
Zo, die studenten van tegenwoordig zijn echt totáál van de pot gerukt. De gitarist van de Britse lawaaimakers UNIVERSITY lijkt op Travis tegen het einde van Taxi Driver en trekt maniakale speedy gezichten, en de bassist ziet eruit alsof hij de betekenis van een joint degree wel erg letterlijk neemt. En de drummer… die zie je niet eens, zo snel bewegen zijn stokken. Hij is slechts een rode waas, die een snare-geluid produceert als een blok eikenhout op je slaap. Er is geen touw aan vast te knopen, en ze breken met z’n drieën dwars door de geluidsbarrière. Of eigenlijk met z’n vieren, als je die gekke gast meetelt die midden op het podium zit te gamen, en af en toe een kartonnen velletje met de tracktitels omhoog houdt. Ook hij verdient lof: het is een wonder dat die zich op zijn spelletje kan concentreren.
10. The Orchestra (For Now)
Het nummer: met Wake Robin brengt de band een mini-epos vol tempowisselingen en onverwachte breaks
‘Gaat het wel goed met die gast?’ vraagt iemand in de zaal als de zanger van The Orchestra (For Now) het podium betreedt. Met een vreemde zonnebril en koptelefoon om de nek ijsbeert hij nerveus op het podium terwijl hij van zijn vape hijst. Ondertussen zetten de strijkers een dreigend intro in dat meteen de toon zet. De band doet denken aan Black Country, New Road en black midi — geen toeval, want ze komen uit dezelfde Londense 'Windmill Scene’. Met zeven muzikanten balanceert The Orchestra (For Now) tussen schoonheid en chaos, gedreven door bombastische drums en klezmer-achtige melodieën. Het publiek is in het begin nog wat verward, maar de band bouwt spanning op. De zonnebril gaat af en de zanger schreeuwt alsof hij gemarteld wordt. Het is misschien moeilijk doen om het moeilijk doen, maar ook experimenteel en retestrak. ‘We spelen er nog één!’ roept de zanger. Maar nee, hun tijd zit erop. Begrijpelijk, want bij The Orchestra (For Now) duren nummers niet drie minuten maar tien. En zelfs dat voelt soms te kort.