ITGWO14: Lonnie Holley: "Wat anderen zien als afval, beschouw ik als materiaal"

Wonderlijk fenomeen uit Alabama vond aansluiting bij indie underground

Atze de Vrieze ,

Misschien wel de meest bijzondere artiest op Into The Great Wide Open: Lonnie Holley, een 64-jarige kunstenaar uit Atlanta, Georgia. Al dertig jaar lang maakt hij kunst van verzamelde objecten, een soort museum van de Afro-Amerikaanse gemeenschap om hem heen. Nu is hij ineens muzikant, omarmd door undergroundiconen Bradford Cox (Deerhunter) en Cole Alexander (The Black Lips), en doet hij Vlieland aan.

Zevenentwingtig kinderen baarde de moeder van Lonnie Holley, in het diepe zuiden van de VS. Hijzelf was de zevende. En hoewel hij eens claimde op zijn vierde geruild te zijn voor een fles whisky, heeft hij familie torenhoog zitten. Hoor maar hoe hij praat over zijn opa, die feitelijk de basis legde voor zijn bizarre verzameldrift, en zo dus indirect voor zijn kunstwerken. Lonnie Holley, een kruising tussen een dorpsgek en een visionair, en in die zin de ultieme outsider-muzikant. ‘Mijn opa had vroeger kippen en eenden in zijn achtertuin,’ zegt Holley met zijn typisch zuidelijke tongval. ‘Hij maakte en herstelde voortdurend het hek om zijn tuin, met alles wat hij maar vond. Hij leerde me hoe je constructies moest maken. Materiaal zochten we langs de kant van de weg en bij de rivier. Wij, de Afro-Amerikanen, de zwarten, de gekleurden, de negers, wij hadden geen geld voor nieuwe spullen. We deden het met wat we vonden. Onze driewieler, die maakten we zelf.’
 
Alabama, de staat waar Holley het grootste deel van zijn leven doorbracht, speelde een cruciale rol in de ‘civil rights movement’. Montgomery was de stad waar de beroemde Rosa Parks in 1955 weigerde achterin de bus plaats te nemen, op de plek voor ‘negroes’. In 1963 werden door blanke racisten vier zwarte meisjes vermoord in een babtistenkerk, wat leidde tot onlusten in het hele land en tot een scheiding in de zwarte gemeenschap tussen aanhangers van de vredelievende Martin Luther King en de militante Malcolm X. Holley herinnert zich nog goed hoe mensen de straat op gingen in Birmingham. ‘Daar liep je dan, met je leren schoenen. Geen tennisschoenen met profielzolen. En dan kwamen de waterkanonnen, die alle stenen spekglad maakten. Mensen werden door honden achterna gezeten. Veel mensen die toen voorop gingen in de strijd, sterven nu gedesillusioneerd. Andere minderheden zijn er op vooruitgegaan sinds die tijd, maar zij voelen zich bekocht. Ze zien alleen maar meer drugs en alcohol in hun buurten.’
Karaoke machine
Lonnie Holley is een bevlogen, zij het vaak onnavolgbaar kunstenaar, die graag maatschappelijke kwesties in zijn werk terug laat komen. Al van jongs af aan maakte hij bijvoorbeeld liedjes over mensen die zwaar werk in de mijnen verrichtten. En toch was de eerste kunst die hij maakte zeer persoonlijk van aard. In 1979 kwamen twee kinderen van een van zijn zussen - 1,5 en 8 jaar oud - om bij een huisbrand. De traumatische gebeurtenis vormt de basis van zijn nummer Fifth Child Burning. Holley zette destijds zijn verdriet en dat van zijn familie om in grafstenen voor baby’s, die hij maakte met weggegooide mallen uit de kopermijnen. ‘We hadden een grote familie, en iedereen huilde. Ik heb niet de illusie dat ik de hele wereld kan doen stoppen met huilen, maar als ik ook maar iets kan doen, wil ik dat niet laten. Ik wil iets van de stress wegnemen. Stress holt je uit.’
 
Sinds die tijd maakt Holley collage-achtig werk. Wat anderen beschouwen als afval, rotzooi, troep, beschouwt hij als materiaal. Als hij op straat een rood halloween-pak in een put ziet liggen, verbeeldt hij zich dat het de duivel is, gevangen achter tralies. Op die manier maakt hij ook muziek, die veel teruggrijpt op zijn roerige jonge jaren. In eerste instantie met een karaoke-machine, grotendeels geïmproviseerd en voorzien van rauwe, elektronische begeleiding. Zijn schetsmatige songs doen denken aan de onlangs overleden Gil Scott-Heron, een man die in tegenstelling tot Holley wel enige bekendheid genoot. Holley’s stem en zijn vibrato doen ook denken aan die van reggae-zanger Horace Andy, die zo’n beetje even oud is, maar dan wel met de avant-gardistische benadering van de New Yorkse elektronische punkers Suicide. Zijn tourmanager Matt Arnett (de zoon van William Arnett, volgens Holley de eerste die hem serieus nam als kunstenaar), neemt zijn muzikale carriere op sleeptouw. ‘Ik had dat karaoke-apparaat en elke keer als ik wat geld had, kocht ik daarvoor cassettes. Die liet ik aan Matt horen, en die hoorde er wel wat in. Hij was bezig met het vastleggen van oude gospelmuziek in Alabama. Hij stelde me ook voor aan Bradford Cox en Cole Alexander. We maakten vier nummers samen.’
"Trek nu de stekker eruit en de space shuttles vallen uit de lucht"
Met zijn gevonden kunst schetst Holley niet alleen een beeld van hoe de arme Afro-Amerikaanse gemeenschap zichzelf in zijn behoeften voorziet, hij wil er ook een bewustzijn mee creëren. ‘Wij mensen claimen altijd dat hard werken slecht voor ons is. Het resultaat is dat we zwakker en wijzer worden. Technologie neemt ons steeds meer uit handen. We hebben computers, we hebben auto’s die voor ons schakelen. Als mensen een chip in hun hoofd zouden kunnen zetten die hun hersenen zou vervangen, zouden ze er waarschijnlijk grof geld voor neerleggen. Ja, technologie geeft je ruimte, maar het geeft je ook meer industrie, meer fabrieken. Kijk naar de grootste steden in Amerika, en naar de hoeveelheid menselijk afval dat daar geproduceerd wordt. Unpluggen? Nee, dat is de oplossing niet. Trek nu de stekker eruit en de space shuttles vallen uit de lucht. Alles hangt af van technologie, we kunnen niet terug. Maar laten we er verstandig mee omgaan. Er ligt zoveel nucleair materiaal op deze aarde, er hoeft maar een storm te komen en het gaat mis. En ik hield mijn hart vast toen de technologie het nieuwe millennium inging.’ Op Holley’s album Just Before Music uit 2012 staat een dertien minuten durend epos genaamd The End Of The Film Era, waarin hij het verdwijnen van het analoge tijdperk beweent.
 
Het beste dat je volgens Holley kunt doen - en daarmee komen we bij de kern van zijn spiritualiteit - is teruggaan, zo ver mogelijk. ‘Terug naar mijn moeders buik, terug in mijn vaders penis. Ik was erg in de war toen ik erachter kwam dat de basis van de menselijke beschaving juist in Afrika ligt. Met nieuwe technologieën hebben we het menselijk bestaan uitgekleed en een nieuwe dynastie gemaakt, die de kern is van alle problemen in de wereld. Mensen denken nu dat ze in staat zijn de waarheid te uiten, en vechten daarover vaak een bittere strijd. We zullen echter juist moeten accepteren dat de waarheid veel te complex is om in woorden of geschriften te uiten. We moeten ophouden sluiproutes naar de waarheid te nemen. En de belangrijkste sluiproute is geld. We moeten ons brein het werk laten doen, niet geld. Kun je me dat nazeggen, hardop? We moeten ons brein het werk laten doen, niet geld. Duimen omhoog voor moeder universum.’

Lonnie Holley speelt zondag 7 september op Into The Great Wide Open, om 13:00 uur op het Bospodium.