<div class="flash" style="text-align:center;"><div align="center"><table width="720" border="0"><tr><th align="left" colspan="5"><font color="#FFFFFF" size="8">Incubate 2009</font></th></tr><tr><td><font color="#FFFFFF"><a href="../index/index.jsp?event=42472685">Voorpagina</a></font></td><td><font color="#FFFFFF"><a href="../news/index.jsp?event=42472685">Alle artikelen</a></font></td><td><font color="#FFFFFF"><a href="../artists/index.jsp?event=42472685">Artists</a></font></td><td><font color="#FFFFFF"><a href="../media/index.jsp?event=42472685">Audio/Video</a></font></td><td></td></tr><tr><td colspan="3"><font color="#FFFFFF" size="5">INTERVIEW</font></td><td></td><td></td></tr></table></div></div>
interview 18 september 2009 door:
Big City Orchestra: ook de 'oudjes' zijn prettig gestoord
"Tweehonderd cassettebandjes naar labels sturen heeft zijn charme"
Het Californische duo Big City Orchestra is waarschijnlijk het kleinste orkest aller tijden en tegelijkertijd één van de meest ervaren acts op deze editie van Incubate. Oprichter Dass (hij vindt alleen zijn middelste naam publicatiewaardig) begon al dertig jaar geleden in de Bay Area met zijn miniorkest waarbij electro en noise samenkomen met elementen uit de klassieke muziek. Nu staat de senior met een indrukwekkende grijze paardenstaart samen met medelid Nina Pixie en het Hollandse Pink Dots op het podium. Een goed moment om dit ‘gerijpte’ gezelschap te vragen naar hun wijsheden.
Welke anekdote heeft Big City Orchestra ons te vertellen?
Een overenthousiaste Nina: “Tijdens één van onze meest recente concerten op het Northern Noise Festival heb ik een ADHD-publiek in trance gekregen met een witte veer. Hoe je dat doet? Eerst hadden we op het podium een klein wit zandstrandje gemaakt waarin met zwarte letters het woord Noise stond geschreven. Vervolgens begonnen we een veertig minuten durende set te spelen waarbij de trommelvliezen het zwaar te verduren kregen. Kortom: noise op zijn best. Maar goed, na deze veertig minuten pakte ik dus een veer om de zwarte letters uit te vegen, terwijl de muziek langzaam richting een zacht trance-geluid ging. Fantastisch om het publiek te zien tijdens deze metamorfose: de wildelingen werden zombies tijdens mijn veegwerk”.
 
Hoe fijn is het om indie te zijn?
Nina: “Heel fijn, je hebt de complete muzikale vrijheid. We zijn niet afhankelijk van de smaak van de platenbaas om onze muziek uit te kunnen brengen. Houd een maatschappij niet van onze noise? Maakt niet uit, dan zoeken we toch iemand anders die onze muziek wel wil uitbrengen.”
Dass: “Daarbij heeft het zo zijn charme om zelf telkens tweehonderd cassettebandjes naar de labels op te sturen. Internet, fuck that. Ik doe alles nog per brief; iedere week verstuur ik zo’n vijfentwintig brieven naar contacten binnen de muziekwereld. Zo begon ik dertig jaar geleden met onze promotie en het werkt nu nog steeds. Dus waarom zou ik zo’n systeem veranderen?”
 
Doen jullie nog iets naast jullie muziekcarrière?
Dass: “Jazeker, ik ben secretaris in een bibliotheek. Het baantje vormt het ideale tegenwicht voor mijn muziek. De stilte in de bibliotheek is fantastisch als je het weekend ervoor net drie uur keiharde noise hebt gespeeld. Nee, ik mis mijn muziek op zulke momenten niet; hard en zacht kunnen even mooi zijn. Daarbij is een fulltimebaan mij als muzikant net even te riskant. Het is moeilijk om als alternatieve band een goed inkomen te verdienen.”

Tekst: Jeroen Lesuis